Skip to ContentSkip to Navigation
Onderdeel van Rijksuniversiteit Groningen
Science LinXScience Proefjes

Broeikasgas om niks

Aflevering 26
Het schema voor de opstelling. Foto: Ernst Arbouw. (Zie artikel voor een link naar een grotere versie)
Het schema voor de opstelling. Foto: Ernst Arbouw. (Zie artikel voor een link naar een grotere versie)

Voor onderhoudende experimenten heb je niet per se een groot laboratorium nodig. Met een goedkope multimeter kun je zo zien hoeveel stroom je apparaten gebruiken als ze uitstaan.

Hoe groot is eigenlijk een voetbalveld? Iets in de orde van grootte van een hectare, geloof ik. Honderd meter lang? Of 110? En dan een meter of tachtig breed?

Om grote getallen begrijpelijk te maken, gebruiken journalisten graag begrijpelijke eenheden. De lengte van DNA wordt uitgedrukt in de afstand naar de maan, de jaarlijkse hoeveelheid files wordt omgerekend naar de omtrek van de aarde en omgehakt regenwoud wordt weergegeven in voetbalvelden.

Maar voetbalvelden blijken geen standaardmaat te hebben. Van de KNVB mag de afmeting van het speelveld variëren van 64 tot 69 meter breed en 100 tot 105 meter lang. Anders gezegd: de hoeveelheid tropisch regenwoud die jaarlijks verdwijnt, kan 13,2 procent verschillen, afhankelijk van je interpretatie van de KNVB-regels.

Dat je lastige getallen moet vertalen, wisten ze in de achttiende eeuw al. De Schotse uitvinder en zakenman James Watt bracht zijn stoommachines aan de man door de energie die ze leverden uit te drukken in paardenkracht (pk). Maar voor de pk geldt hetzelfde als voor het voetbalveld: het is geen precieze maat. Meer marketing dan wetenschap.

Watt bepaalde de grootte van één paardenkracht door te kijken hoeveel voet (0,3048 meter) per pond (0,4536 kg) per minuut een pony uit een kolenmijn kon tillen. Daar telde hij vijftig procent bij om aan de paardenkracht te komen: 33.000 ft-lb/min. Een dikke honderd jaar later deden de Duitsers het trucje nog een keer over, voor het metrieke stelsel. Zij kwamen op 75 kg-m/s, ongeveer één procent minder.

Tegenwoordig wordt energiegebruik en –productie uitgedrukt in watt. Gloeilampen en magnetronovens kun je vergelijken aan de hand van het aantal watt dat ze per uur gebruiken als ze aan staan. Of uitstaan. Het is namelijk heel normaal dat apparaten stroom gebruiken als ze niks doen. De tv, de pc, de video en de telefoonlader consumeren de hele dag.

Hoeveel stroom ze precies gebruiken, kun je zelf meten. Daarvoor heb je een goedkope multimeter (vijf euro bij de bouwmarkt of elektronicazaak), een stuk snoer, een stekker, een los stopcontact, een driedelig kroonsteentje en eventueel twee extra meetsnoertjes nodig. Schroef de opstelling in elkaar volgens de aanwijzingen op de tekening. Let op dat je multimeter ook wisselstroom (AC) kan meten.

Meet eerst het voltage in het stopcontact, 227 volt in ons geval. Zet dan de meter in de juiste stand, zorg dat de snoertjes zijn aangesloten, steek de stekker van een apparaat in je stopcontact, steek de stekker van je opstelling in de wandcontactdoos en lees de stroomsterkte (in ampère) af. Het energieverbruik (in watt) kun je uitrekenen door het aantal ampères te vermenigvuldigen met het voltage.

Een eenvoudig rekenvoorbeeld: een computer en een beeldscherm die beide uitstaan, gebruiken toch nog 5 Watt. Ga ervan uit dat de apparatuur zestien uur per dag niet gebruikt wordt, dan lekt er jaarlijks 5 x 16 x 365 = 29,2 kWh weg.

En omdat je onbegrijpelijke getallen moet vertalen naar bruikbare beelden: bij Cogito ergo BOEM thuis betalen we zeventien cent voor een kilowattuur. Dat betekent dat de lekkende pc jaarlijks bijna vijf euro kost. Voor niks. Ofwel: bij de productie van één kilowatt komt ongeveer 500 gram CO2 vrij. Mijn pc veroorzaakt dus 14,6 kilo CO2-uitstoot zonder iets te doen.

Huiswerk: een grote onderwijsinstelling heeft 5000 pc’s. Reken uit hoeveel geld er jaarlijks wordt verspild aan lekstroom en hoeveel broeikasgas er zonder reden wordt geproduceerd.

Auteur: Ernst Arbouw

Laatst gewijzigd:05 maart 2015 18:18