founded in 1614  -  top 100 university

Onderzoeksdatabase

Publication

Anmerkungen zu Goethe: eine psychoanalytische Untersuchung über Goethe als Repräsentant deutscher Kultur

Kaus, R. J. 1994 Groningen: s.n..

Research output: ScientificDoctoral Thesis

APA

Kaus, R. J. (1994). Anmerkungen zu Goethe: eine psychoanalytische Untersuchung über Goethe als Repräsentant deutscher Kultur Groningen: s.n.

Author

Kaus, Rainer J.. / Anmerkungen zu Goethe : eine psychoanalytische Untersuchung über Goethe als Repräsentant deutscher Kultur. Groningen : s.n., 1994.

Harvard

Kaus, RJ 1994, 'Anmerkungen zu Goethe: eine psychoanalytische Untersuchung über Goethe als Repräsentant deutscher Kultur', Doctor of Philosophy, Groningen.

Standard

Anmerkungen zu Goethe : eine psychoanalytische Untersuchung über Goethe als Repräsentant deutscher Kultur. / Kaus, Rainer J.

Groningen : s.n., 1994.

Research output: ScientificDoctoral Thesis

Vancouver

Kaus RJ. Anmerkungen zu Goethe: eine psychoanalytische Untersuchung über Goethe als Repräsentant deutscher Kultur. Groningen: s.n., 1994.


BibTeX

@phdthesis{665a860411424c3891276a984b0c4cf4,
title = "Anmerkungen zu Goethe: eine psychoanalytische Untersuchung über Goethe als Repräsentant deutscher Kultur",
keywords = "Johann Wolfgang von Goethe 1749-1832, Proefschriften (vorm), 18.09",
author = "Kaus, {Rainer J.}",
note = "Relation: http://www.rug.nl/ date_submitted:1995 Rights: University of Groningen",
year = "1994",
publisher = "s.n.",

}

RIS

TY - THES

T1 - Anmerkungen zu Goethe

T2 - eine psychoanalytische Untersuchung über Goethe als Repräsentant deutscher Kultur

AU - Kaus,Rainer J.

N1 - Relation: http://www.rug.nl/ date_submitted:1995 Rights: University of Groningen

PY - 1994

Y1 - 1994

N2 - De oorspronkelijke aanleiding tot dit onderzoek was de invloedrijke psychoanalytische studie in twee delen van K.R. Eissler, Goethe: A Psychoanalytic Study 1775-1786, oorspronkelijk verschenen in de Verenigde Staten (Detroit: Wayne State UP, 1963), in Duitse vertaling bij uitgeverij Stroemfeld/Roter Stern (Basel 1983/5) en recentelijk in een pocketboek-uitgave bij uitgeverij dtv (München 1987). Eisslers voornaamste stelling in diens biografische studie van een periode uit Goethes leven, dat Goethe in zijn kleurentheorie een “partiële psychose”, een “psychose op een zijtoneel”, tot uitdrukking gebracht en daarmee overwonnen zou hebben, wordt met verschillende argumenten bestreden. In Goethes natuur-concept overheersen weliswaar de vrouwelijk-moederlijke aspecten ten nadele van de mannelijk-analytische, maar dit rechtvaardigt nog niet de diagnose van een partiële psychose. Het betoog hierover maakt een nadere behandeling van de actualiteit en van het wetenschapstheoretische belang van de controverses rond Goethes kleurentheorie (hfdst. III) nodig. De tot nu toe verschenen psychoanalytische literatuur over Goethe als persoon, die de door Freud opgestelde maatstaven volgt, wordt aan een kritische analyse onderworpen. De door Freud (deels impliciet) verkondigde psychoanalytische literatuurtheorie wordt in het inleidende hoofdstuk I behandeld: het woord wordt opgevat als het medium tussen het bewuste en het onbewuste in het algemeen en in de literatuur in het bijzonder. Speciaal Goethe, zo blijkt in de loop van het onderzoek, kan in specifieke zin als ’dichter van het onbewuste’ opgevat worden (vergl. hfdst. XI: Wat betekent nietneurotische creativiteit?) In het bijzonder zijn het zijn gedichten die dit vermogen tot uitdrukking van het onbewuste laten zien, meer nog dan zijn brieven, dagboeken of andere ego-documenten. Daarom worden ook een aantal gedichten, waar het betoog dit wenselijk maakt, geïnterpreteerd. Het onderzoek verbreedt zich dan tot de vraag naar de betekenis van Goethe voor de ontwikkeling van de Europese cultuur en de rol van Goethe daarbij als exponent van de Duitse geestesgeschiedenis, een vraag die op psychoanalytische wijze beantwoord wordt. Een analyse van het in polaire relatie tegenover elkaar staande tweetal Goethe en Hegel, die dan wordt ondernomen, voorts een diagnose van de innerlijke en uiterlijke biografische betrekkingen van Goethe met Napoleon gaan boven Goethes persoonlijke psychoanalyse uit en betreffen derhalve vragen van psychohistorische aard (hfdst. IV). Het gaat hier om een nieuwe categorie van vragen in het kader van een collectieve psychoanalyse, waarop in hfdst. X (Goethe in de spiegel der Duitsers) weer teruggegrepen wordt. Het hele onderzoek verloopt dus elliptisch rond een tweetal brandpunten, het individuele en het collectieve aspect van Goethe als cultuurrepresentant. Hoofdstuk VI over Goethe en de vrouwen gaat uitvoerig in op de incestueuze aard van Goethes binding aan zijn zuster Cornelia en de invloed daarvan op alle latere relaties van Goethe met vrouwen. Eisslers bewering, dat Charlotte von Stein Goethe een succesvolle ’proto-psychoanalytische’ behandeling gegeven zou hebben, wordt bestreden; daarvoor was alleen al Frau von Steins instelling ten opzichte van Goethe niet neutraal genoeg. Goethe was gedurende zijn hele leven niet in staat, een sexuele partner te accepteren, die in beginsel van zijn eigen intellectuele en sociale niveau was. Charlotte von Stein betekende voor hem, zoals plausibel gemaakt kan worden, vooral een zuster- en een moeder-substituut, terwijl hij tot aan zijn eerste langere verblijf in Rome aantoonbaar zijn homosexuele behoeften actief bevredigde, een door de biografen tot nu toe verdrongen feit. Na zijn Italiaanse reis vond Goethe in zijn liefde voor Christiane Vulpius de bij hem passende vorm van een heterosexuele relatie met een partner, die sociaal en geestelijk niet van zijn eigen niveau was. Er wordt tevens in dit verband aandacht besteed aan de vraag, of de “Entsagung”, die Goethe zich op hogere leeftijd oplegde, wel als rijpe sublimatie in psychoanalytische zin opgevat kan worden. Goethes creativiteit vond tussen de beide polen van het lustprincipe en het prestatieprincipe een moeizaam bevochten balans, die door dwangvoorstellingen en oedipale schuldgevoelens voortdurend bedreigd werd (hfdst. VII). De behandeling van het probleem van Goethes creativiteit gaat uit van de overtuiging, dat creativiteit door neurotische elementen eerder bedreigd dan gestimuleerd wordt, maar dat deze bedreiging op haar beurt soms een uitdaging kan vormen om een creatieve oplossing te vinden. De “magiër onder de dichters” (Walter Muschg) had een scherpe blik voor de magie van het moderne geldverkeer (hfdst. VIII), maar met betrekking tot de macht werd hij heen en weer geslingerd tussen “het gefascineerd zijn van de Geest door de macht” (Peter Berglar) en een specifiek Duitse vorm van “Schöngeistigkeit”, welke voor de problemen van de macht geheel blind is (hfdst. IX). “Die größten Menschen hängen immer mit ihrem Jahrhundert durch eine Schwachheit zusammen” (Goethe, Maximen und Reflexionen). Verdringing van het machtsprobleem en sexuele verdringing worden in hun psychodynamische samenhang geanalyseerd; de “Schöngeistigkeit” wordt gedefinieerd als symptoom van een narcistische vlucht uit de realiteit. In een kritische bespreking van de opvattingen van Herbert Marcuse over driftstructuur 243 en maatschappij wordt een niet-dualistisch driftconcept ontworpen, ter voortzetting van de gedachtengang in hfdst. VII, waarin Goethe en Freud in hun visie op de doodsdrift tegenover elkaar geplaatst worden, naar aanleiding van een interpretatie van het gedicht Selige Sehnsucht. Er wordt aangetoond dat een psychoanalytische cultuurtheorie dient terug te grijpen op de meest basale drifttheoretische uitgangspunten en niet moet terugschrikken voor alternatieve opvattingen, die in strijd zijn met die van Freud. Hetzelfde geldt voor een psychoanalytische beschouwing van de verschillende vormen van creativiteit, waarvoor hfdst. XI tenslotte een aanzet tracht te bieden.

AB - De oorspronkelijke aanleiding tot dit onderzoek was de invloedrijke psychoanalytische studie in twee delen van K.R. Eissler, Goethe: A Psychoanalytic Study 1775-1786, oorspronkelijk verschenen in de Verenigde Staten (Detroit: Wayne State UP, 1963), in Duitse vertaling bij uitgeverij Stroemfeld/Roter Stern (Basel 1983/5) en recentelijk in een pocketboek-uitgave bij uitgeverij dtv (München 1987). Eisslers voornaamste stelling in diens biografische studie van een periode uit Goethes leven, dat Goethe in zijn kleurentheorie een “partiële psychose”, een “psychose op een zijtoneel”, tot uitdrukking gebracht en daarmee overwonnen zou hebben, wordt met verschillende argumenten bestreden. In Goethes natuur-concept overheersen weliswaar de vrouwelijk-moederlijke aspecten ten nadele van de mannelijk-analytische, maar dit rechtvaardigt nog niet de diagnose van een partiële psychose. Het betoog hierover maakt een nadere behandeling van de actualiteit en van het wetenschapstheoretische belang van de controverses rond Goethes kleurentheorie (hfdst. III) nodig. De tot nu toe verschenen psychoanalytische literatuur over Goethe als persoon, die de door Freud opgestelde maatstaven volgt, wordt aan een kritische analyse onderworpen. De door Freud (deels impliciet) verkondigde psychoanalytische literatuurtheorie wordt in het inleidende hoofdstuk I behandeld: het woord wordt opgevat als het medium tussen het bewuste en het onbewuste in het algemeen en in de literatuur in het bijzonder. Speciaal Goethe, zo blijkt in de loop van het onderzoek, kan in specifieke zin als ’dichter van het onbewuste’ opgevat worden (vergl. hfdst. XI: Wat betekent nietneurotische creativiteit?) In het bijzonder zijn het zijn gedichten die dit vermogen tot uitdrukking van het onbewuste laten zien, meer nog dan zijn brieven, dagboeken of andere ego-documenten. Daarom worden ook een aantal gedichten, waar het betoog dit wenselijk maakt, geïnterpreteerd. Het onderzoek verbreedt zich dan tot de vraag naar de betekenis van Goethe voor de ontwikkeling van de Europese cultuur en de rol van Goethe daarbij als exponent van de Duitse geestesgeschiedenis, een vraag die op psychoanalytische wijze beantwoord wordt. Een analyse van het in polaire relatie tegenover elkaar staande tweetal Goethe en Hegel, die dan wordt ondernomen, voorts een diagnose van de innerlijke en uiterlijke biografische betrekkingen van Goethe met Napoleon gaan boven Goethes persoonlijke psychoanalyse uit en betreffen derhalve vragen van psychohistorische aard (hfdst. IV). Het gaat hier om een nieuwe categorie van vragen in het kader van een collectieve psychoanalyse, waarop in hfdst. X (Goethe in de spiegel der Duitsers) weer teruggegrepen wordt. Het hele onderzoek verloopt dus elliptisch rond een tweetal brandpunten, het individuele en het collectieve aspect van Goethe als cultuurrepresentant. Hoofdstuk VI over Goethe en de vrouwen gaat uitvoerig in op de incestueuze aard van Goethes binding aan zijn zuster Cornelia en de invloed daarvan op alle latere relaties van Goethe met vrouwen. Eisslers bewering, dat Charlotte von Stein Goethe een succesvolle ’proto-psychoanalytische’ behandeling gegeven zou hebben, wordt bestreden; daarvoor was alleen al Frau von Steins instelling ten opzichte van Goethe niet neutraal genoeg. Goethe was gedurende zijn hele leven niet in staat, een sexuele partner te accepteren, die in beginsel van zijn eigen intellectuele en sociale niveau was. Charlotte von Stein betekende voor hem, zoals plausibel gemaakt kan worden, vooral een zuster- en een moeder-substituut, terwijl hij tot aan zijn eerste langere verblijf in Rome aantoonbaar zijn homosexuele behoeften actief bevredigde, een door de biografen tot nu toe verdrongen feit. Na zijn Italiaanse reis vond Goethe in zijn liefde voor Christiane Vulpius de bij hem passende vorm van een heterosexuele relatie met een partner, die sociaal en geestelijk niet van zijn eigen niveau was. Er wordt tevens in dit verband aandacht besteed aan de vraag, of de “Entsagung”, die Goethe zich op hogere leeftijd oplegde, wel als rijpe sublimatie in psychoanalytische zin opgevat kan worden. Goethes creativiteit vond tussen de beide polen van het lustprincipe en het prestatieprincipe een moeizaam bevochten balans, die door dwangvoorstellingen en oedipale schuldgevoelens voortdurend bedreigd werd (hfdst. VII). De behandeling van het probleem van Goethes creativiteit gaat uit van de overtuiging, dat creativiteit door neurotische elementen eerder bedreigd dan gestimuleerd wordt, maar dat deze bedreiging op haar beurt soms een uitdaging kan vormen om een creatieve oplossing te vinden. De “magiër onder de dichters” (Walter Muschg) had een scherpe blik voor de magie van het moderne geldverkeer (hfdst. VIII), maar met betrekking tot de macht werd hij heen en weer geslingerd tussen “het gefascineerd zijn van de Geest door de macht” (Peter Berglar) en een specifiek Duitse vorm van “Schöngeistigkeit”, welke voor de problemen van de macht geheel blind is (hfdst. IX). “Die größten Menschen hängen immer mit ihrem Jahrhundert durch eine Schwachheit zusammen” (Goethe, Maximen und Reflexionen). Verdringing van het machtsprobleem en sexuele verdringing worden in hun psychodynamische samenhang geanalyseerd; de “Schöngeistigkeit” wordt gedefinieerd als symptoom van een narcistische vlucht uit de realiteit. In een kritische bespreking van de opvattingen van Herbert Marcuse over driftstructuur 243 en maatschappij wordt een niet-dualistisch driftconcept ontworpen, ter voortzetting van de gedachtengang in hfdst. VII, waarin Goethe en Freud in hun visie op de doodsdrift tegenover elkaar geplaatst worden, naar aanleiding van een interpretatie van het gedicht Selige Sehnsucht. Er wordt aangetoond dat een psychoanalytische cultuurtheorie dient terug te grijpen op de meest basale drifttheoretische uitgangspunten en niet moet terugschrikken voor alternatieve opvattingen, die in strijd zijn met die van Freud. Hetzelfde geldt voor een psychoanalytische beschouwing van de verschillende vormen van creativiteit, waarvoor hfdst. XI tenslotte een aanzet tracht te bieden.

KW - Johann Wolfgang von Goethe 1749-1832

KW - Proefschriften (vorm)

KW - 18.09

M3 - Doctoral Thesis

PB - s.n.

ER -

ID: 14543366