Promovendus: Melinda Mills
Promotiedatum: 11 september 2000
Promotor: Prof.dr.ir. F.J. Willekens
Titel proefschrift: The transformation of partnerships. Canda, the Netherlands and the Russian Federation in the age of modernity.
1.1 De transformatie van partnerrelaties
Dit boek gaat over de transformatie van de partnerrelaties van vrouwen in het tijdperk van de late moderniteit. Er hebben zich opmerkelijke verschuivingen voorgedaan in de gezinsvorming van geïndustrialiseerde landen vanaf het einde van de jaren veertig. Het type, de timing, en de opeenvolging van partnerrelaties zijn veranderd. Daarnaast is het antwoord op de vraag wat vrouwen aantrekt in een relatie en wat hen aan een partner bindt gewijzigd. Veel van deze veranderingen zijn een direct gevolg van grote maatschappelijke veranderingen, zoals de ontwikkeling richting mondialisering, kapitalisme, democratie, individualisering en de emancipatie van de vrouw. Deze verschuivingen op macro niveau hebben een directe invloed op het dagelijks leven van individuen. Als gevolg van deze veranderingen, plannen jonge vrouwen tegenwoordig hun levenspaden op ‘strategische’ wijze, met een verzameling risico’s en keuzen die onbekend waren voor hun moeders. De snelle verandering van de moderne tijd betekent dat veel keuzemogelijkheden – zoals het beëindigen van onderwijs, het verlaten van het ouderlijk huis, trouwen en kinderen krijgen –, die voorheen grotendeels maatschappelijk werden voorgeschreven, nu slechts ‘opties’ zijn. Vrouwen moeten nieuwe paden banen in een omgeving waar keuzen in toenemende mate onbepaald zijn. Deze onbekendheid gaat samen met onzekerheid en instabiliteit, maar verschaft vrouwen ook de vrijheid om op ongekende wijze vorm te geven aan hun complexe levens- en relatiepaden.
Op een theoretisch niveau zijn deze veranderingen door demografen gekarakteriseerd als de ‘tweede demografische transitie’ (Lesthaeghe & Van De Kaa, 1986; Van De Kaa, 1987; Lesthaeghe, 1995). Een saillant kenmerk van de tweede demografische transitie is de ‘destandaardisering’ van gezinsvormingspatronen, of, wat sociologen aanduiden als de ‘pluralisering van leefwerelden’ (Berger et al., 1974). De standaardschikking van gebeurtenissen in de levensloop is veranderd. ‘Klassieke’ levenspaden zoals het verlaten van het ouderlijk huis, het toetreden tot de arbeidsmarkt en de band tussen het verlaten van het huis voor het huwelijk gevolgd door ouderschap, zijn anders ingericht of zelfs verlaten. Nieuwe fasen in de levensloop hebben zich aangediend, zoals het alleenwonen zonder partner, samenwonen of zwanger worden voorafgaand aan, of zonder huwelijk. Hedendaagse sociaal-wetenschappers hebben deze veranderingen uitgedrukt als de transitie naar ‘hoge moderniteit’, (Giddens, 1991) ‘reflexieve modernisering’ (Lash, 1992) of ‘late moderniteit’ (Bauman, 1988; Beck, 1992).
Dit boek beschrijft en verduidelijkt de onderliggende redenen voor transities en stabiliteit in relatiegedrag in Oost en West Europa en Noord Amerika. In elk van de gebieden is één land gekozen: de Russische Federatie, Nederland en Canada. De selectie van deze drie verschillende gebieden betreft zowel een praktische als een bewuste keuze. Praktisch gezien is het logischer om gedetailleerde analyses uit te voeren met slechts drie landen als middelpunt, dan een brede analyse van een groot aantal. De selectie van deze drie landen is bewust omdat we willen vaststellen wat binnen verschillende typen sociale structuren door de context wordt bepaald en wat universeel zou kunnen zijn in relaties.
1.2 Onderzoeksvragen
Het conceptualiseren en ontcijferen van partnerrelaties vereist een benadering die zowel theoretisch als methodologisch goed is onderbouwd. Naast de bestudering van trends en onderliggende determinanten van relatiegedrag betrof een bijkomstige doelstelling van dit onderzoek een wetenschappelijk debat over het gebruik van verschillende theoretische en methodologische benaderingen van onderzoek naar transities in de levensloop.
De hoofdvraag van het onderzoek is hoe relatiegedrag in Canada, Nederland en de Russische Federatie is veranderd. Dat betekent dat bepaald wordt wat stabiel is gebleven en wat door de tijd heen is veranderd. Hoe zijn het type, de timing en de complexiteit van relatiegeschiedenissen geëvolueerd? We onderzoeken derhalve niet alleen de aard van de gebeurtenissen in partnerrelaties, maar ook hun timing, omvang en opeenvolging. Een tweede vraag is hoe onderdelen van moderniteit, zoals toegenomen risico en onveiligheid, democratie, kapitalisme en individualisering invloed uitoefenen op relaties. Welke rol speelt context of de sociale structuur in de processen van relatiegeschiedenissen? Op welke wijze handelen individuen, die elk unieke eigenschappen en opvattingen over relaties bezitten, op een strategische wijze binnen deze verschillende contexten? Wat is het verband tussen de context op macro niveau en individuele activiteiten op een micro niveau? Een derde vraag is: wat heeft de hedendaagse sociale theorie de kwantitatieve studie van levensgeschiedenissen te bieden? Vertelt het ons iets unieks in vergelijking tot eerdere theorieën? Belangrijker nog is de vraag of we de meer abstracte sociale theorieën over menselijk gedrag en motivaties en diverse ontologische concepten over tijd aan empirisch onderzoek kunnen koppelen. Dit aspect van het onderzoek besteedt tevens aandacht aan de relatie tussen theorie en empirie in de bestudering van de levensloop. Het is een positieve poging een bijdrage te leveren aan het overbruggen van de twee gebieden. Een vierde vraag verkent de onderlinge afhankelijkheid en het causale verband tussen gebeurtenissen in verschillende domeinen van de levensloop. Beïnvloedt een gebeurtenis in de ene carrière, zoals een zwangerschap, een andere carrière, zoals een huwelijk? Hoe kunnen we parallelle carrières theoretisch en praktisch onderzoeken en tegelijkertijd causaliteit inschatten?
Het voorgaande is gerelateerd aan de laatste vraag, welke door de gehele studie aan de orde is: hoe kunnen we partnerrelaties en, meer algemeen, de levensgeschiedenissen van individuen het best onderzoeken? Wat is het belang van de betekenis die in verchillende contexten van tijd en ruimte aan samenwonen en huwelijk wordt toegekend? Wat is de meest efficiënte manier om de analysedata te organiseren? Welk type ‘event history data’ is nodig voor welk type model? Welke ontbrekende onderdelen in het enquêtemateriaal zouden de resultaten kunnen vertekenen? Welke typen data of methoden voor dataverzameling zouden ons in staat stellen om de levensloop beter te begrijpen? Dit onderzoek bevat verscheidene praktische elementen die de lacunes in de bestaande literatuur op dit gebied opvullen.
1.3 De hoofdstukken
Het onderzoek is verdeeld in drie hoofddelen – theoretische verkenningen, data en methoden, empirische toepassing. Een afsluitend hoofdstuk bevat een synthese en presenteert implicaties van de bevindingen. Deel één, dat bestaat uit de hoofdstukken twee en drie, schetst het gebruikte theoretische raamwerk. Hoofdstuk twee presenteert een nieuwe theoretische benadering van het onderzoek naar partnerrelaties. De uiteenzetting schetst allereerst de belangrijkste eigenschappen van een innovatieve theorie en de draagwijdte ervan voor empirisch onderzoek. Het omvattende werk van de socioloog Anthony Giddens wordt gebruikt om twee onderling afhankelijke vraagstukken aan de orde te stellen: de koppeling tussen individueel gedrag en instituties en sociale stabiliteit en verandering. Ten eerste wordt Giddens’ structuratie-theorie, welke de verbinding tussen individu en institutie tracht te verklaren, beschreven. Vervolgens worden de sociaal-structurele en de individueel-contextuele determinanten van menselijk gedrag binnen dit raamwerk geplaatst. Aansluitend richt de aandacht zich op de wisselwerking tussen moderniteit op macro niveau (mondialisering, kapitalisme, abstracte systemen, risico maatschappij, natie-staat) en het gedrag op micro niveau (voortplanting, seksualiteit, partnerrelaties, kinderen en zelf-identiteit). In de loop van deze uiteenzetting worden eerdere theorieën over relatiegedrag afgezet tegen de benadering van Giddens. Vervolgens wordt Giddens’s visie over sociale stabiliteit en verandering kritisch afgewogen tegen theorieën over evolutionaire verandering uit de institutionele economie, waarna een synthese volgt over de centrale leerstellingen van sociale stabiliteit en verandering. Om te laten zien hoe deze ideeën worden verkend binnen de empirische toepassingen, worden koppelingen met empirische analyses gemaakt door middel van concrete operationaliseringen van theoretische begrippen. Het hoofdstuk sluit af met een kritische beoordeling van het werk van Giddens en zet de toegevoegde waarde van deze benadering uiteen.
Hoofdstuk drie onderzoekt de impact van ‘temporaliteit’ op levenslooponderzoek. Het hoofdstuk wijst kwantitatieve levenslooponderzoekers op de ontologische impact van verschillende vormen van temporaliteit. De eerste paragraaf bespreekt de invloed van kosmische cycli, menselijke ontwikkeling, historische, culturele, sociale en institutionele soorten temporaliteit, op gedrag in de levensloop. Twee centrale thema’s vloeien hieruit voort. Institutionele kalenders geven vorm aan ons dagelijks leven, en schijnbaar onschuldige kalenders beïnvloeden ons gedrag. Bovendien zijn gedragsinvloeden uit kosmische en biologische tijd in toenemende mate gekoloniseerd geraakt door sociale constructies van temporaliteit. De tweede pararaaf geeft aan hoe ontologische percepties van tijd vorm geven aan de epistemologische benadering. De verhandeling maakt onderscheid tussen tijdseffecten als een artefact van data, methoden en methodologie. De timing en methode van dataverzameling, geheugen, en zelf-registratie zijn factoren die resultaten kunnen beïnvloeden. Er worden verschillende suggesties gedaan met betrekking tot de tijd-gerelateerde dimensies in levensloopdata, zoals reflexiviteit, nieuwe duidingen van het geheugen en het combineren van methoden.
Deel twee, bestaande uit de hoofdstukken vier en vijf, beschrijft de data en methoden van het onderzoek. Hoofdstuk vier schetst zowel de data die in de toepassingen worden gebruikt als het algemene gebruik van onderzoeksdata voor vergelijkende en ‘event history’ onderzoek. De eerste paragraaf beschrijft de Fertility and Family Surveys gebruikt in Canada (1995) en Nederland (1993) en de steekproef over de Oblast van Pskov uit de Micro-Census van de Russische Federatie (1994). De data worden beschreven in relatie tot de opzet van de steekproef, veldwerk, respons, en selectiviteit. Daarna wordt de vergelijkbaarheid van deze drie databestanden beschreven. De tweede paragraaf richt de aandacht op de soorten en de ordening van levensloopdata uit enquêtes. Eerdere studies over levenslopen besteden zelden aandacht aan de technische aspecten van de reconstructie van data. Hoewel de basis concepten en modellen vaak in detail worden beschreven, wordt er meestal geen antwoord gegeven op de vraag hoe data gestructureerd moeten worden voor verschillende typen modellen. Deze pararaaf onderscheidt verschillende typen data. Vijf verschillende datatypen worden beschreven en geïllustreerd: bestanden voor het individuele niveau (person file), persoon-periode bestanden, gebeurtenis/risico bestanden (occurrence/exposure file), multi-episode bestanden, en ‘split-episode’ bestanden.
Hoofdstuk vijf behandelt de instrumenten die nodig zijn om de evolutie van partnerrelaties van vrouwen te begrijpen. Deze methoden zijn de ‘multistate’ en ‘life or event history’ analyse. De conceptuele en de methodologische aspecten worden als eerste bediscussiëerd. Dit wordt gevolgd door een gedetailleerde beschrijving van ‘multistate life tables’, welke worden gebruikt om in hoofdstuk zes de gehele waargenomen relatiegeschiedenis van vrouwen in kaart te brengen. De standaardliteratuur over berekeningen voor de ‘multistate life table’ is gebaseerd op census- of registratiedata (Rogers, 1975). Hedendaagse retrospectieve enquêtedata geven meer informatie over de timing van gebeurtenissen (d.w.z. maand en jaar) en van gecensureerde cases. Daardoor verschillen de berekeningen en de aannames voor de ‘life table’. Het hoofdstuk bespreekt ‘life tables’ op basis van micro-data en presenteert een toegankelijk en transparant numeriek voorbeeld. De uiteenzetting gaat in op het gebruik van log-lineaire modellen van ‘event histories’ en de ‘log-rate’ en Cox proportional hazard’ modellen.
Deel drie van het onderzoek, dat bestaat uit de hoofdstukken zes tot en met acht, betreft een empirische toepassing van de theorie en methoden voor de bestudering van de transformatie van partnerrelaties. Hoofdstuk zes geeft een gedetailleerde analyse van relatiegeschiedenissen (d.w.z. tot de enquêtedatum) van vrouwen in elk van de studielanden, daarbij gebruik makend van ‘Markov’ en ‘Semi-Markov’ ‘multistate life tables’. Er worden cohort-gebaseerde ‘life tables’ geproduceerd van de eerste relatievorming, relatie-ontbinding, en de tweede relatie. Een 5-toestanden model verkent relatie in de Russische Federatie. Een 6-toestanden model wordt gebruikt om partnerrelaties in Nederland te beschrijven, terwijl een 8-toestanden model de toegenomen complexiteit van partnerrelaties in Canada representeert. Wegens het gecompliceerde karakter van de modellen en wegens het vergelijkende karakter van dit onderzoek, worden twee cohorten onderzocht: vrouwen geboren aan het eind van de jaren veertig en in de vroege jaren zestig, grofweg een moeder- en dochtercohort (door databeperkingen 1950-4 en 1960-5 in Nederland). Deze aanpak verschaft een gedetailleerde temporele bestudering van relatiegedrag en geeft een hechte basis om de transities te identificeren die een nadere vergelijking rechtvaardigen.
Hoofdstuk zeven zet de stap van beschrijving naar verklaring. Het doel is om de sociaal-structurele, individuele en temporele factoren welke relatiekeuzen beperken of juist mogelijk maken, bloot te leggen. Met behulp van factor analyse is een index van Giddens’s concept van de ‘pure relatie’ geconstrueerd, welke bestaat uit verschuivingen in opvattingen over seksualiteit en egalitaire interacties tussen paren. Het eerste model bestudeert welke structurele of individuele factoren een effect hebben op de keuze tussen samenwonen of trouwen in Canada en Nederland. Het tweede model bestudeert de gecombineerde structurele en individuele factoren van de eerste relatieontbinding in Canada en de Russische Federatie. Structurele factoren bestaan uit scheiding van de ouders, thuiswonen, ruimtelijke locatie van de kinderjaren, en godsdienst. Individuele determinanten worden gemeten door het onderwijsniveau, de invloed van het onderschrijven van idealen van de ‘pure relatie’ en in Canada, de invloed van het wonen in Quebec. Temporele factoren zijn leeftijd, jaargang (geboorte cohort), moment van aanvang van de relatie en de duur van de relatie. ‘Piecewise constant log-rate hazard’ modellen met vaste en in de tijd variërende covarianten worden gebruikt om de invloed van verklarende factoren op ‘monthly hazard rates’ van relatievorming en -ontbinding te schatten.
Het fenomeen van ‘moetje’ (‘shotgun weddings’), oftewel de versnelde huwelijkssluiting na het ontdekken van een zwangerschap, staat centraal in hoofdstuk acht. Gebruikmakend van een causale benadering van onderling afhankelijke processen (Blossfeld & Rohwer, 1995), verkent dit hoofdstuk de complexe verbanden tussen de parallelle carrières van huwelijk en geboorte. De toepassing betreft een replicatie van een eerder onderzoek door Blossfeld et al. (1999) over de mate waarin de huwelijkskans wordt beïnvloed door de vaststelling van een zwangerschap in een relatie van ongehuwd samenwonen. Gebruik makend van een ‘split-episode’ databestand, wordt een ‘Cox hazard proportional hazard model’ met in de tijd variërende en vaste covarianten expliciet als tijdafhankelijk gespecificeerd. Het eerste huwelijk is gedefiniëerd als het afhankelijk proces en de zwangerschap/geboorte als het verklarend proces. De onderling afhankelijke processen lenen zich voor verkenningen van meervoudige tijdsklokken. Het verschaft ook een verdere verduidelijking van Giddens’s concepten als de pure relatie, plastische seksualiteit, en reflexieve monitoring van het handelen. Giddens’s theorie van de reflexieve monitoring van het handelen en de structuratietheorie, wordt vergeleken met het rationeel actor-model. Deze laatste benadering is gebruikt door Blossfeld et al. (1999), die aanneemt dat norm-geleid en rationeel ego-centrisch gedrag naast elkaar bestaan.
Het laatste hoofdstuk vat de centrale resultaten van het onderzoek samen. De theoretische en methodologische aspecten van de toepassingen worden op kritische wijze beoordeeld. Het hoofdstuk eindigt met suggesties betreffende de dataverzameling van ‘life histories’ en wenken voor nader onderzoek.