Papieren’ teksten zijn zelden geschikt voor het web. Lezen van een beeldscherm kost veel inspanning en gaat 25% langzamer dan lezen van papier: probeer daarom zo kort en bondig mogelijk te schrijven. Een te lange tekst zal niet gauw tot het einde toe uitgelezen worden, hoe interessant de lezer het thema ook vindt.
Bezin je dus van tevoren goed op de inhoud van de tekst: wát wil ik precies aan de lezer vertellen? Welk doel wil ik bij de lezer bereiken en welke informatie is daarbij belangrijk? Door het stellen van dergelijke vragen zie je al snel welke informatie overbodig is.
Structuur
Webteksten worden niet lineair gelezen, maar interactief. De lezer bepaalt zelf de leesroute en ‘zapt’ als het ware van het ene tekstdeel naar het andere. Daarmee verschilt de samenhang in de tekst sterk van die in papieren teksten. Door relevante informatie in je tekst te benadrukken en logisch te ordenen, beantwoord je onmiddellijk de vraag van de lezer: wat heb ík hieraan? Om de aandacht van de lezer vast te houden, moet hij direct een beeld hebben van wat de pagina hem te bieden heeft.
De volgende aanwijzingen helpen je bij het opzetten van een heldere structuur:
-
Plaats belangrijke informatie aan het begin van de tekst.
In het geval van een onderzoeksverslag kan dit bijvoorbeeld betekenen dat je conclusie naar het begin van de tekst verhuist.
-
Verdeel de tekst in kleine hapklare brokjes informatie (‘chunking’).
-
Bedenk een duidelijke titel die een beeld geeft van de inhoud en stimuleert om verder te lezen:
- om de titel kort te houden kun je lidwoorden weglaten;
-
gebruik ‘inhoudswoorden’ (zelfstandige naamwoorden, werkwoorden);
-
een citaat, vraag of verrassende invalshoek maakt je titel aantrekkelijker, maar let erop dat de titel in ieder geval ook voldoende inhoudelijke informatie biedt.
-
Maak een korte inleidende tekst die de inhoud samenvat. De tekst wordt dan leesbaar op meerdere niveaus:
-
globale inhoud in de kop en inleiding;
-
details in de rest van de tekst.
-
Maak duidelijke tussenkopjes per alinea:
-
niet te lang; 4 à 5 woorden;
-
gebruik inhoudswoorden.
-
Gebruik zo veel mogelijk opsommingslijsten om de informatie te ordenen.
-
Maak informatieve hyperlinks: geen structurele links als 'klik hier', maar een inhoudswoord.
-
Geef eventueel na de hoofdtitel of inleiding een opsomming van de verschillende tussenkopjes van elke alinea, in de vorm van een hyperlink-menu.
Stijl
Met behulp van de volgende stijlkenmerken maak je de tekst helder, toegankelijk en aantrekkelijk (zie ook de Catalogus van Stijlkwesties):
-
Vermijd verwijswoorden als ‘bovenstaand’ of ‘hiernavolgend’: op het interactieve web hebben deze begrippen geen betekenis.
-
Formuleer kort en krachtig: let op overbodige details en herhalingen.
-
Vermijd tangconstructies: delen van de zin die bij elkaar horen, staan dan te ver van elkaar verwijderd. Probeer onderwerp en gezegde zoveel mogelijk bij elkaar te houden. Een voorbeeld:
|
Niet:
Werkgevers
die in totaal minder dan 40 uur per week werk laten verrichten door één of meer werknemers, hoeven geen arbo-inventarisatie uit te voeren.
|
Wel:
Werkgevers
hoeven geen arbo-inventarisatie uit te voeren, als zij in totaal minder dan 40 uur per week werk laten verrichten door één of meer werknemers.
|
Opmaak
-
Onderscheid de alinea’s door witregels.
-
Gebruik lettergrootte 11 of 12 punts (in html-editors: font size=”3”).
-
Benadruk kernwoorden: vet (niet onderstrepen: dit roept de associatie met een hyperlink op).
-
Gebruik een schreefloze letter: (Arial of
Univers
bijvoorbeeld is op het net makkelijker leesbaar dan
Times New Roman).
Bronnen
·
Tiggeler, E., Doeve, R.(2000). Webwijzer (1e druk). Den Haag: Sdu.
·
Poort, G. (2000). Schrijven voor het web.
Een praktische handleiding.
Zaltbommel.