Skip to ContentSkip to Navigation
ActueelNieuwsberichten

Prof.dr. Gert de Roo: ‘Toon tegenstanders windmolenparken hun eigenbelang’

Als de provincie Drenthe de geesten rijp wil maken voor de aanleg van windmolenparken in de Veenkoloniën, moet zij de inwoners laten zien dat ze er zelf belang bij hebben. Bijvoorbeeld door omwonenden mede-eigenaar te maken, door ze te wijzen op de toegevoegde waarde van windmolens in het landschap en in ieder geval door van de streek een energie-regio te maken waar de bewoners trots op kunnen zijn. Dat stelt prof.dr. Gert de Roo, hoogleraar planologie aan de Rijksuniversiteit Groningen. ‘Een gelikt plaatje van hoe het er over twintig jaar uitziet is bedrieglijke manipulatie. Het zijn bovendien parelen voor de zwijnen, want niemand trapt daar in.’

Gert de Roo
Gert de Roo

In de provincie Drenthe woedt al maanden een felle discussie over de mogelijke komst van een windmolenpark bij Borger-Odoorn. Omdat de provincie de afgelopen decennia zeer terughoudend is geweest met het plaatsen van windmolens, verwacht het kabinet dat ook de Drenten nu hun steentje bijdragen aan de duurzame ambities van het rijk. Windmolens in Drenthe kunnen eindelijk uit, omdat de installaties tegenwoordig zo hoog zijn dat ze ook in een windstille provincie nog rendabel zijn.

Emotioneel

Maar juist omdat er in de hele provincie nauwelijks een windmolen te bekennen is, is de tegenstand des te groter, zegt de Roo. ‘Plannen om iets te veranderen in het landschap stuiten altijd op weerstand. Mensen zijn bang voor het nieuwe. Dat is nadrukkelijk niet irrationeel, maar wel emotioneel. En in de Veenkoloniën leeft toch al erg het minderwaardigheidscomplex. De inwoners zitten vanzelf al in de verdediging.’

Nimby’s

Nimby’s worden ze wel genoemd: planologische dwarsliggers die roepen ‘not in my backyard’. Een fenomeen dat zich in Drenthe in hoge mate voordoet. De Roo vindt dat de bezwaren van de bewoners gerelateerd aan het verpesten van het uitzicht geen hout snijden. ‘Als windmolens er eenmaal staan, klagen nieuwe bewoners niet over het ‘lelijke’ uitzicht. Als we toegeven aan de angst voor het nieuwe, zou er helemaal nooit iets aan het landschap veranderen. Zelf kijk ik uit op elektriciteitsmasten die een natuurgebied doorsnijden. Je zou dat lelijk kunnen vinden, maar voor mij is het een element dat het landschap een beetje spannender maakt.’

Rechte lijnen

Omdat bezwaren tegen windmolens bestuursrechtelijk langzamerhand aan de orde van de dag zijn, is de drempel om er procedures tegen te voeren even laag als deze kolossen hoog zijn. Als bewoners geen windmolens willen, komen ze er niet. Volgens De Roo moet de provincie er daarom voor zorgen dat de omwonenden iets voor hun windmolens gaan voelen. ‘Het zou enorm helpen als de omwonenden die molens als hun eigenbelang zouden beschouwen. Omdat ze tegenwoordig erg duur zijn is het moeilijker om windmolens te adopteren als mede-eigenaar, maar onmogelijk is het niet. Ten tweede kun je omwonenden, bijvoorbeeld aan de hand van het landschap in Noord-Holland, laten zien hoe schitterend de windmolens daar in het landschap passen, met die lange rechte lijnen.’

Energielandschap

De Roo heeft nog hogere verwachtingen van een andere oplossing. Hij pleit ervoor om de Veenkoloniën te bestempelen als ‘energielandschap’, waar niet alleen windmolens, maar ook aardwarmte- en bio-vergistingsinstallaties deel uitmaken van de horizon. Een nieuwe bestemming die aansluit bij de turfhistorie van het gebied. ‘Dat maakt de inwoners weer betrokken bij hun landschap, het verschaft ze een nieuwe identiteit én hun portemonnee wordt er beter van.’

Curriculum Vitae

Gert de Roo is hoogleraar Planologie aan de Faculteit Ruimtelijke Wetenschappen van de Rijksuniversiteit Groningen. Hij publiceerde eerder dit jaar samen met Klaas Jan Noorman ‘Energielandschappen, de 3de generatie.’

Reacties

Rob Rietveld (oktober 19, 2011 om 13:11 pm):

Dhr de Roo gaat in dit stuk geheel voorbij aan de belangrijkste bezwaren die de bewoners hebben (of hij is onjuist geïnformeerd). Het landschappelijke aspect speelt zeker mee bij de inwoners van de veenkoloniën en wordt best vaak genoemd, maar de aantasting van het wooncomfort en de economische schade is voor de bewoners veel belangrijker. Hierbij is het als meest in het oog springend voorbeeld wel de te verwachten geluidsoverlast. In een AMVB heeft de overheid begin dit jaar bepaald dat als geluidsnorm voor windmolens een gemiddelde van 47dBa wordt gehanteerd. Dit staat gelijk aan de geluidsnorm die rond een snelweg wordt gehanteerd. Hierdoor kunnen de windmolens tot op 400meter van de bebouwing worden geplaatst. Nu geldt er voor het veenkoloniaal gebied een geluidsnorm van 35dBa. Er hoeft niemand uitgelegd te worden dat huizen langs een snelweg minder populair zijn dan huizen in een landelijk stiltegebied en dat veel mensen niet langs een snelweg willen wonen omdat men het geluidsoverlast als onoverkomelijk ervaart. Het lijkt mij dan ook geen grote stap om te begrijpen dat hierdoor zware economische schade wordt aangericht aan de individuele bewoner van het gebied. Waarde daling van zijn huis, maar zeker een versterking van de krimp die in dit economisch kwetsbaar gebied op de loer ligt en die nu met man en macht wordt bestreden door veel geld, middelen en persoonlijke inzet.

Landschappelijke aantasting kan bediscussieerd worden (mooi is subjectief) en zal voor een groep bewoners “afgekocht” kunnen worden door persoonlijk belang (financieel) of men vind het in de afweging t.a.v. de noodzaak voor duurzame energie geen probleem om te accepteren. Er is ook een groep die ook dit niet acceptabel vindt omdat ruimte, rust en donkerte unieke elementen aan het worden zijn in Nederland.
Geluidsoverlast in de mate waarin het nu wordt genormeerd, laat zich niet compenseren door participatie o.i.d. Het is ook uniek in de wereld wat op dit gebied in Nederland gebeurt. Nergens in de wereld worden, tegen de wil van mensen in, zo dicht bij bebouwing dit soort windmolens geplaatst. Als men draagvlak en participatie van de bewoners van de veenkoloniën wil (en ook overal elders in Nederland) dan zal men eerst een redelijke norm voor dit soort aspecten moeten hanteren.

Ik hoop van harte dat men begint in te zien, dat het aanhaken op de landelijke aspecten zoals nu in dit stuk is gebeurd, de “tegenstanders” stigmatiseert en hun als een belachelijke, zeurende groep mensen neerzet wat zij zeker niet zijn. Laten we ons a.u.b. focussen op de echte gegronde bezwaren van de bewoners van de veenkoloniën.

Wybe van Dijk (oktober 19, 2011 om 14:29 pm):

De strekking van het bericht van professor De Roo onderschijf ik: probeer omwonenden te betrekken bij beslissingen die hun leefomgeving aangaan en maak ze daarin meer belanghebbend.

In het bericht van De Roo worden echter ook uitspraken gedaan waarbij ik vraagtekens zet. Zo wordt er geschreven: “En in de Veenkoloniën leeft toch al erg het minderwaardigheidscomplex. De inwoners zitten vanzelf al in de verdediging.” Ik vraag mij af of dat een idee of opvatting is van De Roo of dat dit onderzocht en aangetoond is: Komt een minderwaardigheidscomplex bij de bewoners van de Veenkoloniën significant vaker voor dan in de rest van Nederland? En is het inderdaad zo dat mensen met een minderwaardigheidscomplex “vanzelf” in de verdediging zitten? Of reageert iemand met een minderwaardigheidscomplex misschien eerder met “ach het zal wel aan mij liggen” en laat verder de beslissingen over zich heen komen?

Ook het feit dat De Roo zijn eigen ervaringen met electriciteitsmasten als bewijsvoering aanvoert voor het al dan niet “hout snijden” van de bezwaren van anderen lijkt mij niet geen “hout te snijden”.

Tot slot pleit De Roo ervoor om “de Veenkoloniën te bestempelen als ‘energielandschap’, waar niet alleen windmolens, maar ook aardwarmte- en bio-vergistingsinstallaties deel uitmaken van de horizon. (…) Dat maakt de inwoners weer betrokken bij hun landschap, het verschaft ze een nieuwe identiteit én hun portemonnee wordt er beter van.”

Ik denk inderdaad dat dat bewoners nog meer betrokken maakt bij hun landschap: dit willen we niet! Een bio-vergistingsinstallatie (staat er niet zoiets te stinken op de Groninger Milieuboulevard?) ziet er niet alleen minder natuurlijk uit dan een stapel turf, maar brengt ook licht- en stankoverlast met zich mee. Ik denk niet dat de bevolking van de Veenkoloniën daar wel warm voor gaat lopen. En dan ook nog “verschaft ze een nieuwe identiteit” (moet dat dan?) ” én hun portemonnee wordt er beter van.” Dit laatste is maar zeer betrekkelijk.

Voor alle duidelijkheid: ik woon zelf niet in de Veenkoloniën maar boven op de gasbel van Slochteren en oh, wat is mijn portemonnee daar toch beter van geworden. Bij ons komt het aardgas bijna gratis uit de kraan (not).

Cees van Dijk (oktober 19, 2011 om 16:00 pm)

Een hoogleraar planologie die duidelijk wars is van Beeldbepalend Erfgoed en andere waardevolle landschapsaspecten die het waard zijn om bewaard te blijven. Het Veenkoloniale gebied is de laatste eeuw al zo veel ontnomen. Door het verdwijnen (dempen) van de kanalen, de “daipen”en “wieken”, heeft de karakteristieke lintbebouwing, vooral in het Drentse Monden gebied, al verschrikkelijk veel van zijn karakteristie waarde verloren.

Dat het “nieuwe land” , zoals de Flevopolders, al volgestampt zijn met windturbinegedrochten zal weinig mensen echt raken. Maar ik weet zeker dat vrijwel elke automobilist die via de A 27 vanuit het Gooi voor het eerst de Stichtse Brug over rijdt en daar geconfronteerd wordt met dat windturbinepark in Fleovoland van schrik even zijn gaspedaal loslaat.

“Even wennen” noemt de hoogleraar dat , vrij vertaald. Ik zou waarschijnlijk ook wel aan die windturbines willen wennen, als er iemand is die mij echt er van kan overtuigen dat windturbines bijdragen aan duurzame energiewinning. Maar zo lang voor elke kilowatt energie die uit windenergie gewonnen wordt nog steeds een backup nodig is van conventionele energiewinning durf ik de woorden “duurzame windenergie” niet in mijn mond te nemen.

Is het niet beter, Prof. de Roo, dat U Uw kennis, tesamen met de kennis van Uw collega’s gaat gebruiken om de mogelijkheid te onderzoeken om elektrische energie duurzaam te kunnen opslaan?

Ad van den Bosch (19 oktober 19, 2011 om 19:15 pm)

Als inwoner van de Veenkoloniën kan ik de zeer eenzijdige en ongefundeerde mening van Gert de Roo bepaald niet onderschrijven. Deze doet me sterk denken aan de vooringenomen en onbehoorlijke voorlichting (conclusie nationale ombudsman) van de machtige energielobby die sterk inspeelt op de gecreëerde klimaatgekte.

Wat voor voordeel zou de bevolking van deze turbines kunnen hebben? Wat heeft de gaswinning voor het Noorden gebracht? Behalve onacceptabel lawaai en de irritante slagschaduw, een niet door planschadevergoeding op te vangen waardevermindering van de woning en niet te vergeten een forse verhoging van de energieprijzen leveren deze turbines niets op. De burger mag wél zijn leefmilieu voor deze nauwelijks rendabele windturbines van 150 mtr. hoog inleveren die in een straal van 2km geluidsoverlast geven. Hier zouden de bewoners trots op moeten zijn, betrokkenheid bij het landschap, een nieuwe identiteit en er in de portemonnaie beter van worden? Een energiepark van windmolens sluit inderdaad aan bij de turfhistorie met zijn misdadige uitbuiting en ellende.

Waarom zet de Overheid in op windenergie? Is dit niet om de machtige energiemaatschappijen (en de boeren in ons geval) die zich huichelachtig voordoen als milieuverbeteraars te faciliteren? Er zijn geen voor en tegenstanders. Er zijn initiatiefnemers en mensen die gedupeerd moeten worden. Met aanmatigende termen emotioneel, angst en nimby’s en zijn gebruikte verklaringen wil de Roo zijn onzinnige pleidooi inhoud geven. Dit moet wel veroorzaakt worden door het meerderwaardigheidscomplex wat bij geleerden in hoge mate voorkomt of zijn er soms bindingen met de initiatiefnemers?

Jacob Hovingh (oktober 19, 2011 om 20:50 pm)

Een hoogleraar planologie die de lange recht lijnen in een landschap van Noord-Holland “schitterend ingepast vind in het landschap” . Ik vraag mij af of de heer De Roo hieromtrent gesprekken heeft gevoerd met de betreffende bewoners in de regio. Ik durf te stellen van niet. Bovendien is deze zienswijze een persoonlijke visie en niet ingegeven door onpartijdigheid.

Daarboven heeft de heer De Roo in zijn artikel aangegeven dat hij uitkijkt op elektriciteitsmasten hetgeen de heer De Roo een “spannend element” vindt. Daarbij gaat hij voorbij aan het feit dat deze masten niet alleen beeldbepalend zijn in geheel Nederland maar bovendien is dit appels met peren vergelijken en wel onder meer om de volgende redenen:

Elektriciteitsmasten zijn:
1 Niet kolossaal massief maar transparant dus al aanmerkelijk minder ontsierend.
2 Geven geen geluidsoverlast.
3 De hoogte is ± een derde tov. een windturbine.
4 Geven een continu rendement.

Windmolens echter geven:

1 Aanzienlijke geluidsoverlast voor omwonenden tot ± 2 km.
2 Sterke waardevermindering van het woningbestand in de nabije omgeving.
3 Zijn 135 m tot 150 m hoog.
4 Massieve forse obstakels in een landschap waarin vele beschermde dorpsgezichten zijn vastgesteld.
5 Geven door draaiende wieken een hoogst onrustig beeld waarvan bij elektriciteitsmasten geen sprake is.
6 Hinderlijke knipperende verlichting op masthoogte.
7 Rendement ten opzichte van de miljarden investering (lees subsidie) minimaal.

Na bovenstaande feiten weergave kan men stellen dat de heer De Roo niet objectief is in zijn stellingname zoals weergegeven in zijn artikel en is het geheel onjuist en wel zeer lichtvoetig belicht.

Misschien is het voor de heer De Roo zinvoller om een keer “het veld” in te gaan om te ervaren hoe diep de weerstand is bij de diverse bevolkingsgroepen en hoe waardevol zij hun “eigen landschap” ervaren.

Verder zou de heer De Roo ook kennis kunnen nemen van het artikel in het Dagblad van het Noorden d.d. 15 oktober 2011, waarin de heer Henk van Kasteel, een oud-medewerker van Shell, zegt: “ik word hartstikke gek van gezeik over windmolens”.
Bovendien staat er in Elsevier nr. 44 (uitgave 10 september 2011) nog een interessant artikel geschreven door Syp Wynia, getiteld ‘Tegenwind’.

Bij menig burger rijst de vraag: Wie houdt wie voor de gek?

Fré de Boer, Annerveenschekanaal (oktober 20, 2011 om 13:21 pm)

De mening van Gert de Roo is wel heel erg kort door de bocht. De generalisaties duikelen over elkaar heen. De tegenstand van de direct omwonenden van de geplande windparken in de provincie Drenthe is wat betreft de Roo alleen terug te voeren op angst. Angst voor het nieuwe. Het recept voor de omgevingsvergunningverlenende overheid is even eenvoudig als het stellen van de diagnose, nl geef ze een financieel aandeel in zo’n windpark. Greed is good, nietwaar.

Ik mis de bevlogenheid die uit zijn artikel voor Girugten in februari 2008 sprak, waarin hij ingaat op zijn “Lila en planologie, etc”. Lila: Living in Leisurich Areas, Rust en Ruimte en het stimuleren van het Landelijk Wonen, waar werken niet volgt op wonen,maar wonen volgt op werken. Helaas staan de geplande windparken haaks op die ooit zo mooie gedachte, waar Lila “het verdriet van het noorden” zou kunnen bestrijden. Misschien heeft de Roo het opgegeven en is hij zich er niet van bewust dat we hier in de Veenkoloniën nog volop met deze gedachte en het verwezenlijken ervan bezig zijn. De geplande windparken zijn een streep door die rekening. Windparken leveren geen werkgelegenheid op, windparken leveren ook geen draagkrachtige nieuwe bewoners op. Windparken zorgen ervoor dat de huizen onverkoopbaar worden en de krimp wordt gestimuleerd.

De Veenkoloniën kan echter zeer zeker een hele waardevolle bijdrage leveren aan de milieudoelstellingen van Europa, maar daarvoor zijn de windparken niet de efficiënste oplossing, wel de meest fantasieloze. Ik raad de Roo aan eens in te zoomen op de waardevolle positieve bijdragen, die door de werkgroep Techniek van de NIMBY’s Platform Storm vorige week in een rapport zijn verwoord en waar de akkerbouwers in de Veenkoloniën en hun bedrijven een heel nuttige rol vervullen. Dit plan vormt opnieuw een aanzet de Veenkoloniën van “Afhankelijkheid naar Kracht” te dirigeren, ipv het instandhouden van de miljardenverslindende subsidiemachine, die tot nog toe de streek niets heeft opgeleverd en die met het stopzetten van de landbouwsubsidies in 2013 nou net werd afgebouwd.

Gert de Roo zou veel meer in deze discussie de planologische lijn moeten volgen, ipv die van de eenzijdige milieukant te belichten, dat is hij aan zijn positie en onze regio verplicht.

Jeroen de Bruin (oktober 24, 2011 om 8:23 am)

Ik heb nooit begrepen waarom die windgeneratoren zonodig het open land moeten ontsieren. Zeker niet nu men van plan is om die generatoren te plaatsen op toren van 100 mtr. hoog. (zo hoog als de Domtoren) kan je ze net zo goed plaatsen op de Hondsrug in een bosrijk gebied. Het grote voordeel ervan is dat ze pas op grotere afstand ontsierend zijn. Te vergelijken met dat windmolenpark aan de Duitse kant van Bellingwolde richting Wymeer. Vanaf de A7 richting Duitse grens zie je ze staan, vanuit Bellingwolde moet je ze zoeken.Alhoewel…… daar staan pas twee van die gigantische mastodonten van 150 mtr. hoog (de wieken).

Het vlakke land behoord geinponeerd te worden door een boerderij met opstallen of een dorpje met kerktoren. Silo’s zoals bij de AVEBE in Gasselte kan ook nog wel maar daarmee moet het qua hoogte ophouden. Een rij hoogspanningsmasten vind Hr. de Roo al bij het landschap horen. Belachelijk! Maar vergelijk die eens met een rij windgeneratoren van 150 mtr. hoog? Dan verdwijnen hoogspanningsmasten in het niets. Boerderijen en dorpskernen decimeren helemaal in verhouding tot een losgeraakte bout die op de snelweg ligt; niemand ziet ze meer !

Laatst gewijzigd:04 juli 2014 21:28
printOok beschikbaar in het: English

Meer nieuws