Skip to ContentSkip to Navigation
ActueelNieuwsberichten

001- Nieuw beeld van wetenschapsbeoefening in de Gouden Eeuw

Nederlandse wetenschapsbeoefening in de Gouden Eeuw was veel minder pragmatisch en praktijkgericht dan wordt gedacht. De natuur werd niet bestudeerd om de wetenschap op een hoger plan te brengen, maar juist om God beter te kunnen eren. Dit concludeert historicus drs. Eric Jorink. Hij promoveert op 15 januari 2004 aan de Rijksuniversiteit Groningen.

Doorgaans wordt aangenomen dat de veranderende wijze waarop men in de zeventiende eeuw tegen de natuur aankeek het gevolg was van de ‘wetenschappelijke revolutie’, die onder meer was ingezet door Simon Stevin en Christiaan Huygens. Uit Jorinks studie blijkt echter dat er naast deze natuurkundige stroming een zeer sterke religieuze traditie bestond. Christenen geloofden dat God hen niet één, maar twee boeken had gegeven: de Bijbel en het Boek der Natuur. De Natuur was niet een samenspel van natuurwetten, maar een systeem van verwijzingen naar God. Deze gedachte bleek uitermate invloedrijk onder Nederlandse theologen én natuurwetenschappers.

Problematisch

De natuur werd door de meeste geleerden aanvankelijk beschouwd vanuit de letter van de Bijbel. Maar langzamerhand groeide het besef dat de teksten in de Bijbel erg problematisch waren. Mensen die het Grieks en Hebreeuws beheersten zagen de Bijbel niet langer als sluitende waarheid, maar als collage van overgeleverde fragmenten, waarvan de authenticiteit ernstig betwijfeld kon worden. Want hoeveel waarde moet je hechten aan een tekst waarin Mozes zijn eigen dood beschrijft? En waarom staat niet vermeld waar Kaïn, na het vermoorden van zijn broer, een vrouw vond? Een toename van de filologische kennis leidde tot aanzienlijke discussies over de Bijbel, en daarmee over het Boek der Natuur.

Ontdekkingsreizen

Naast deze, wat Jorink noemt, ‘interne beweging’, is ook een ‘externe beweging’ zichtbaar. Zo kreeg het schriftgezag bijvoorbeeld te maken met ontdekkingsreizen en dus toenemende kennis van de natuur en andere volken. Hoe meer men zocht naar voorbeelden uit het Boek der Natuur om Gods almacht te bewijzen, hoe vaker conflict ontstond met de bijbelteksten. Want uit de laatste concludeerde men dat de wereld in 5223 voor Christus geschapen moest zijn, terwijl teksten uit China, Mexico en Egypte een veel oudere planeet deden vermoeden. Vielen alle wereldtalen tot het Hebreeuws te herleiden? Was de Zondvloed werkelijk een universele gebeurtenis geweest? En hoe hebben toch al die nieuwe dieren, gevonden in Amerika, op de ark van Noach gepast?

Eenhoorn

Jorink illustreert de problemen waar geleerden in de Nederlandse Gouden Eeuw voor stonden met een groot aantal voorbeelden. Zo ontstond een ernstige discussie over het Hebreeuwse woord re’em, dat op acht plaatsen in het Oude Testament voorkomt. De Griekse vertaling spreekt van ‘eenhoorn’ en zo staat het dus ook in de Nederlandse Statenbijbel (1637). Geleerden twijfelden echter van meet af aan over de juistheid van die vertaling, omdat re’em waarschijnlijk woudos betekende. In hedendaagse bijbels is het probleem nog altijd zichtbaar, omdat de een van bizon spreekt, terwijl de ander het over buffel heeft. Nadrukkelijk blijkt hier dat het veranderende natuurbeeld van de zeventiende eeuw niet alleen het gevolg was van de ‘wetenschappelijke revolutie’ maar evenzeer van de discussie over het Boek der Natuur.

Kometen

Sprekend is ook de discussies over de betekenis van hemelverschijnselen, zoals bijvoorbeeld kometen. Deze werden niet gevoed door voortschrijdend astronomisch inzicht, maar door de vraag of bepaalde bijbelpassages over hemeltekens wel correct geïnterpreteerd waren. Zo vroegen bijvoorbeeld Nederlandse theologen steeds vaker of kometen wel onder de hemeltekenen moesten vallen die het eind der tijden zouden inluiden.

Rariteiten

Diezelfde geleerden hielden zich vaak bezig met het aanleggen van rariteitenkabinetten. Van mummies en Nijlriet tot vlinders en schelpen; allemaal letters uit het Boek der Natuur en allemaal bedoeld om de tekst van de Bijbel te illustreren. "Ook dit leverde problemen op", aldus Jorink. "Omdat men in toenemende mate dingen vond die niet in de Bijbel beschreven stonden. Sprak de Schift over pinguïns, luiaards en lama’s? Wat je vervolgens ziet is een beweging die Gods scheppende almacht ging illustreren los van de bijbelse component, puur aan de hand van het Boek der Natuur. Dit boek werd aan het eind van de zeventiende eeuw een zelfstandige grootheid."

Curriculum vitae

Henricus Gerardus Maria Jorink, geboren te Den Haag op 29 juli 1963, studeerde geschiedenis in Groningen en Parijs en verrichte zijn promotieonderzoek bij de vakgroep Geschiedenis van de RUG. Hij is thans als onderzoeker in dienst van het Constantijn Huygens Instituut van de Koninklijke Nederlandse Academie voor Wetenschappen en doet onderzoek naar de beeldvorming rond Newton in het achttiende eeuwse Nederland.

Jorink promoveert tot doctor in de Letteren bij prof. dr. K. van Berkel van de RUG en prof. Dr. M.E.H.N. Mout van de Universiteit van Leiden. Het onderzoek werd gefinancierd door de Stichting Historische Wetenschappen van het Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO).

De titel van het proefschrift luidt: ‘Het Boeck der Natuere’, Nederlandse geleerden en de wonderen van Gods schepping 1575-1715.

Noot voor de pers:

Voor informatie: drs. Eric Jorink, werk: (070)331 58 42.

Laatst gewijzigd:11 oktober 2016 09:50

Meer nieuws