Diep onder de indruk waren we toen we vanuit het raampje zagen hoe we over oneindig besneeuwd land vlogen. Steeds meer kleur naarmate we dichter bij de grond kwamen. Het vliegtuig uit, registratieformulier invullen, langs de douane, bagage van de band, zoeken naar de woorden Dutch Institute in iemands handen. Een paar uur geleden nog met de auto onderweg naar Schiphol, nu in een taxi door St.-Petersburg op weg naar een gastgezin.
Ik verblijf aan de Zanevskij Prospekt, in het oosten van de stad. Moeder en dochter staan al buiten om me welkom te heten en te helpen met mijn bagage. Het blijkt vandaag de naamdag van mijn gastmoeder te zijn. Er zijn familieleden en vrienden en de tafel staat gedekt met vlees, vis, kaviaar en salades. En als dat weggeruimd is, drinken we thee en eten taart, gebak, cake en fruitsalade. Zonder dat je wist dat je het kon, begin je aan tafel het Russisch dat je hoort mee te spreken.
Ik heb een eigen kamertje met uitzicht op een volgend huizenblok; vijf hoog en over de lengte acht woningen. Tussen de verschillende huizenblokken liggen binnenpleintjes; een speeltuintje, bankje en een enkele boom. Bijna nooit zie ik er kinderen, maar het is ook nog winter.
Dit is het land waar alles groot is, de metrohallen, de gebouwen, de supermarkten, de museumcollecties, de reclameposters, de flessen mineraalwater, de dozen theezakjes. Colleges duren hier anderhalf uur in plaats van drie kwartier, elke twee minuten gaat er een metro en winkels draaien 24 uur per dag.
Het is hier mooi. Overal het brede water van de Neva, met de metershoge damp erboven, het wit van de sneeuw, het wit van het licht. De klanken van een hobo ‘s avonds in een metrohal. De Hermitage waar ik met mijn studentenkaart gratis toegang heb, de parken en paleizen rond St.-Petersburg. Buiten de stad is het indrukwekkend uitgestrekt. De sneeuw ligt er een meter hoog, de lucht is schoon en het licht fel. Het is alleen al leuk om met de trein te reizen en twee uur op je houten bankje om je heen te kijken en te zien hoe twee mannen diep in de sneeuw aan een spoorweg staan te werken, hoe de vrouw tegenover je een kruisje slaat bij het passeren van een begraafplaats, of hoe in de trein eten, drinken en de meest uiteenlopende voorwerpen worden verkocht.
Naast me aan de keukentafel – ik eet een bord soep – zit Kyra, mijn gastzusje. Ze leest in haar biologieboek, vertelt mij ondertussen over haar schooldag en imiteert reclameteksten: Vy ne znaete, sjto v Lente desjevle? (Weet u niet dat Lenta goedkoper is?) Als ik aan het eind van de middag thuiskom van college, wordt er altijd iets te eten voor me klaargemaakt. Pure poison is het vaste grapje van Kyra als ze het voor me neerzet. Het smaakt heerlijk.
Van maandag tot en met donderdag hebben we de hele morgen en het begin van de middag college aan de filologische faculteit. De colleges volgen we met z’n achten, allemaal studenten uit Nederland. Na twaalven of na twee
ën, als de colleges voor die dag weer voorbij zijn,
eten en drinken we nog wat samen op de faculteit of in de stad. We leren veel en hebben er plezier in.
Maar drie maanden blijkt toch kort. ‘Het is een zilveren Skoda en de chauffeur heet Vladimir.’ Ik heb Nadja, medewerkster van het Nederlands Instituut aan de telefoon. Ze heeft een taxi besteld die ons morgen naar het vliegveld zal rijden. Vladimir knikt goedkeurend als ik mijn gordel vastmaak. Onderweg noemt hij ons de namen van wat er te zien is. ‘Hier links, Dansende Lenin.’ ‘Dansende Lenin?’ Ik kijk naar het beeld en zie hoe Lenin hier inderdaad z’n ene been in de lucht gooit. De zon schijnt. Ik heb een moment verschrikkelijke spijt dat ik alweer op weg ben naar huis.