De Boerenpartij, ontstaan in de strijd tegen de geleide economie in de landbouw, zoals die met name in het Landbouwschap tot uitdrukking komt, is geen belangen-, maar een beginselpartij, welke openstaat voor alle Nederlanders, die overtuigd van de een- en ondeelbaarheid van geestelijke, politieke en economische vrijheid, zich met het volgende beginselprogram kunnen verenigen.
Art. 1. Verwerpende de souvereiniteit van de mens of het volk, die beurtelings tot individualisme en collectivisme pleegt te leiden, gaat zij uit van de souvereiniteit Gods over al het geschapene. Aan deze souvereinitelt ontleent de overheid haar gezag.
Op grond hiervan wijst zij elke vorm van republikanisme af en stelt zij zich op het standpunt dat het Koninkrijk der Nederlanden dient te worden geregeerd door het Huis van Oranje, drager der souvereiniteit.
De rechten des Konings dienen te worden geërbiedigd en voor uitholling te worden behoed.
Art. 2. De overheid is geroepen de rechten en vrijheden der burgers te beschermen en te bevorderen, zomede al datgene te doen wat de versterking van de christelijke grondslagen van ons volksleven, voor zover nog aanwezigen de herkerstening van ons volk kan bevorderen. Zij onthoude zich hierbij van het partij kiezen voor een bepaalde kerk of richtingen neme de gewetensvrijheid en verdraagzaamheid jegens andersdenkenden uitdrukkelijk in acht.
Art. 3. Zij roept overheid en volk op tot het gezamenlijk uitvoeren van de taak, die beide hebben, namelijk het tot ontwikkeling brengen van het Nederlandse volk en de ontplooiing van zijn mogelijkheden, welke voortvloeien uit de erkenning der Souvereiniteit Gods over al het geschapene.
Met het oog daarop dient een behoorlijke volksinvloed te worden gewaarborgd.
Zij eist herstel en toepassing van het beginsel der machtenscheiding en van de rechtsstaat, onder meer door ongerepte handhaving van de onafhankelijke rechterlijke macht, verhoogde rechtsbescherming van de burger tegenover de overheid, verwijdering uit wetgeving en bestuur van elke vorm van dictatuur en nog gehandhaafd bezettingsrecht en terugdringing van de macht der pressiegroepen.
Art. 4. Zij erkent de noodzaak van samenwerking met andere niet-imperialistische landen, waarbij zij allereerst denkt aan die met België in Beneluxverband en andere kleine Noordzeestaten.
Noch deze samenwerking, noch die in E.E.G.-verband mag leiden tot een samensmelting, waarbij ons land zijn eigen karakter geheel of gedeeltelijk zou verliezen of onvervreemdbare nationale waarden prijsgeven.
Ons land levere een positieve bijdrage tot de ontwikkeling van het internationale recht en de internationale samenwerking, op basis van de trouw aan het gegeven woord en de vrijwillig aangegane verplichtingen.
Zij verwerpt een supra- of bovennationale politiek, die tot blokvorming leidt en gevaarlijk is voor onze zelfstandigheid.
Art. 5. Zij staat een krachtig en doelmatig defensie-apparaat voor, dat niet alleen in staat is inuitzonderingsgevallen de binnenlandse orde te handhaven doch ook in samenwerking met de bondgenoten het vrije deel van Europa, desnoods met de uiterste middelen tegen elke aanval kan verdedigen.
Aan de geestelijke weerbaarheid van land-, zee- en luchtmacht dient grote aandacht te worden besteed, opdat alle dienstplichtigen er van doordrongen zijn welke geestelijke, politieke en maatschappelijke waarden zij te verdedigen hebben.
Art. 6. Zij erkent de taak die de overheid ten aanzien van onderwijs en cultuur heeft, doch deze dient dusdanig beperkt te zijn, dat de eigen rechten in deze levenskring uitdrukkelijk geëerbiedigd en de vrijheid van onderwijs onaangetast blijft. Er kome een open radio- en televisiebestel.
Art. 7. Zij acht het dringend noodzakelijk dat de particuliere eigendom, basis der persoonlijke vrijheid, overeenkomstig hetgeen de Grondwet bepaalt zoveel mogelijk wordt gehandhaafd en geërbiedigd, met name ook bij de belastingheffing.
Art. 8. De belastingheffing dient in hoofdzaak gericht te zijn om de overheid de middelen te verschaffen haar beperkte taak op financiëel verantwoorde wijze te volvoeren.
Zij verwerpt principieel een belastingheffing die mede beoogt een verdeling van het nationale inkomen door de overheid, omdat dit haar taak niet is.
Het heffen van successierechten in de rechte linie worde opgehevenen voor het overige drastisch beperkt. Zij verwerpt een belastingpolitiek, die door scherpe progressie beoogt de particuliere eigendom op te heffen. Elke vorm van fiscale bevoordeling dient vermeden.
Art. 9. Zij eist een ombuiging van het subsidiebeleid opdat aan de huidige verkwisting een eind kome. De overheid kan en mag alleen daar subsidiëren, waar levenskrachtige particuliere activiteiten financiële aanvulling nodig hebben.
De te verstrekken subsidies dienen in het algemeen belang te zijn en de overheid moet afdoende contrôle hebben op de besteding van het door haar ter beschikking gestelde geld.
De overheid verlene generlei subsidie aan die vormen van cultuur die een gevaar zijn voor de christelijke grondslagen van de Nederlandse samenleving.
Art. 10. Op economisch gebied staat zij de sociale markteconomie voor waaronder zij verstaat een grote mate van vrije prijsvorming door eerherstel van de wet van vraag en aanbod.
Door de overheid dienen echter maatregelen te worden genomen op grond waarvan zij gerechtigd is op te treden of in te grijpen, waar zulks ter handhaving van de vrije prijsvorming of om dringende sociale en andere redenen, het algemeen belang betreffende, noodzakelijk is.
Art. 11. Met betrekking tot de Kartelpolitiek is zij van oordeel dat de overheid afwijzend dient te staan tegenover die kartels en andere ondernemers afspraken, die de werking van de wet van vraag en aanbod ten nadele der consumenten verstoren.
Art. 12. De overheidspolitiek ten aanzien van de eigenaren van grond, kapitaalsgoederen en woningen dient een zodanige te zijn, dat daardoor de particuliere eigendom geëerbiedigd en de zelffinanciering wordt mogelijk gemaakt.
Art. 13. De sociale politiek dient gericht te zijn op een redelijke bescherming van alle burgers.
Gewaakt worde voor een overspannen arbeidsmarkt.
De sociale wetgeving worde vereenvoudigd en gericht op een minimum aan dwang en een zo groot mogelijke verantwoordelijkheid voor het eigen bestaan.
Naarmate de welvaart toeneemt en daarmee het aantal dergenen die voor zichzelf allerlei voorzieningen kunnen treffen, dient de kring der verplicht verzekerden kleiner te worden.
Bij gedwongen verzekeringen dient er een redelijke verhouding te zijn tussen premie en uitkering. Zij mogen niet voor inkomensoverdracht gebruikt worden.
De Overheid stelle hen wier principiële bezwaren tegen verplichte verzekering op overtuigende wijze gebleken zijn, van verzekeringsplicht vrij.
Geleidelijk aan worde de kinderbijslag voor personen die zelf in het onderhoud van hun gezinkunnenvoorzien, afgeschaft.
De verzorgingsstaat wordt afgewezen, omdat zij de persoonlijke verantwoordelijkheid aantast, de staat tot alverzekeraar maakt en daarmeedeburgers in een van hem afhankelijke positie brengt.
Art. 14. De volkshuisvesting is in de eerste plaats een zaak van het particuliere initiatief. De Woningwetbouw dient een aanvullend karakter te dragen en uitzondering te blijven.
Ter bevordering van herstel der normale verhoudingen op het gebied der volkshuisvesting dient met kracht gestreefd naar een toestand, waarin de huren in de weg van vraag en aanbod tot stand komen.
Art. 15. Het financiële beleid der Overheid zij gericht op waardevastheid van het geld. De strijd tegen de voortgaande geldontwaarding dient veel krachtiger te worden gevoerd dan tot dusver. De Overheid zal de wensen van belanghebbenden, die aan een hoge graad van werkgelegenheid en goedkoop geld meer waarde toekennen dan aan gezonde economische verhoudingen, met kracht moeten afwijzen.
Art. 16. Zij verwerpt de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie op grond van staatsrechtelijke, democratische en economische overwegingen.
Geen bezwaar bestaat tegen het door de Overheid inwinnen van adviezen van vrije organisaties.
Art. 17. De Overheid versterke de positie van de Boerenstand niet door prijssteun, maar door opheffing van onnodige kostprijsverhogende lasten en beëndiging der bureaucratische maatregelen, die de vrije ontplooiing belemmeren. In het belang van boer en consument beide worde de handel in landbouwproducten vrij gelaten.
Art. 18. De Overheid erkenne de waarde van een krachtige zelfstandige middenstand. Zij wake er voor dat de liquiditeit der middenstandsbedrijven door te zware belastingen en sociale lasten in het gedrang komen.
Het vestigingsbeleid dient zodanig te zijn dat toekomstige middenstanders daardoor niet afgeschrikt worden en de middenstanders in staat worden gesteld de concurrentie met het grootwinkelbedrijf en de coöperatie vol te houden.
Art. 19. Van de Overheid verwacht zij dat zij al datgene zal doen, wat de welvaart van ons volk en de burgers kan doen bevorderen, met dien verstande dat zij de enkelingen en groepen alle mogelijkheden tot ontplooiing in vrijheid en verantwoordelijkheid biedt en dat zij slechts daar ingrijpt waar het particulier initiatief in gebreke blijft of taken verricht moeten worden die hetzij typisch voor verantwoording der Overheid liggen, hetzij het vermogen van de particulieren te boven gaan.
Art. 20. De Overheid volbrenge voor alles haar eerste taak: de handhaving der rechtsorde. Zij trede streng en rechtvaardig op tegen de misdadigers, waarbij in bijzondere mate de aandacht gevraagd wordt voor hen die zich aan zeden- en verkeersmisdrijven schuldig maken zomede voor de misdadigheid onder de jeugd.