Page content
Section menu
Main menu
Associative links
Page content:
Nederlands

Christiaan Both


"Zolang ik me kan herinneren heb ik een enorme drang naar buiten
Christiaan Both
Christiaan Both

Vooral achter de vogels aan, maar ook andere levende wezens. Ik was zo’n jongetje dat na school eerst naar buiten moest, en de tijd die daarna resteerde pas aan huiswerk besteedde. Met dit naieve beeld voor ogen wilde ik bioloog worden. Nu weet ik beter: als bioloog kom je alleen met veel mazzel voor je werk nog buiten. Gelukkig heb ik die mazzel. Als bioloog heb ik het voorrecht om na te mogen denken over waarom dieren zo wonderschoon zijn aangepast aan de omgeving waarin ze leven. Mijn onderzoek gaat dus over ecologie en evolutie. Fundamentele vragen waarvoor je de natuur in moet om ze te kunnen beantwoorden.

Sommige vragen lijken eenvoudig. Zo verwonderde ik me al een tijdje over hoe vogels die vanuit Afrika hier naar toe trekken om te broeden hun broedplaats kiezen. Je moet dan eerst weten wat belangrijk is voor zo’n vogel. Een veilig nest, genoeg voedsel, een goede partner? Maar hoe weet zo’n vogel of een plek veilig is? Een roofdier zal niet even komen waarschuwen dat er gevaar dreigt. En genoeg voedsel? Ook al niet makkelijk in te schatten, want het meeste voedsel heb je pas nodig over enkele weken tijd wanneer je een nest hongerige jongen moet voeden. En het ergste van alles is: je neemt niet genoegen met net genoeg, maar je moet de beste plek hebben, want anders ben je een evolutionaire miskleun. Dus je moet een goede inschatting maken van alle beschikbare plekken en dan de beste kiezen. Tot overmaat van ramp moet je dit in zeer korte tijd doen. Er zijn immers veel meer kapers op de kust, allemaal op zoek naar de beste plek. En daarbij is het ook van groot belang om zo vroeg mogelijk te broeden, want voedsel is maar in een korte periode beschikbaar. Een betere verlies-verlies situatie kan je haast niet hebben: een gedegen keuze is belangrijk maar neemt tijd, maar hoe meer tijd je neemt hoe beroerder de uiteindelijke keuze zal zijn. Zo’n schijnbaar eenvoudige vraag moet zo’n vogel de nodige hoofdbrekens kosten.

Ik doe al tijden onderzoek aan vogels die in nestkasten broeden. Vooral koolmezen en bonte vliegenvangers. Die laatsten gaan de winter naar Afrika. Vliegen negen duizend kilometer retour om hier te komen broeden. Arriveren vanaf half april en kiezen dan snel een nestkast om hun kroost in groot te brengen. Wat me opviel tijdens het controleren van nestkasten was dat vliegenvangers een voorkeur leken te hebben voor kasten waar mezen al met nestbouw waren begonnen. Dat is overigens niet zonder gevaar, want vliegenvangers zijn kleiner dan koolmezen, en deze laatsten houden niet van krakers. Ieder jaar vinden zo verschillende vliegenvangers de dood: met ingehakte schedel in een mezennest verwerkt. Als bioloog denk je dan meteen dat die interesse van vliegenvangers voor mezennesten wel een erg groot voordeel moet hebben. Anders neem je niet het risico om als evolutionaire miskleun in een mezennest te eindigen.

Altijd mooi om zo’n patroon te vinden van een voorkeur van vliegenvangers voor mezennesten, maar wat zegt dat nu? Ik had twee ideeën: of de mezen kiezen de beste nestkasten en de vliegenvangers willen die kasten ook onafhankelijk van de mezen. Of de vliegenvangers gebruiken de mezen als informatiebron. Immers, wat voor een mees een goede plek is, is dat ook voor een vliegenvanger en door de keuze van de mees te immiteren bespaar je als vliegenvanger kostbare tijd. Maar hoe test je zoiets? Heel eenvoudig eigenlijk: als vliegenvangers de aanwezigheid van nestmateriaal van mezen gebruiken voor hun keuze, dan kan je als onderzoeker mooi ingrijpen. Ik was van plan om mees te gaan spelen net nadat de eerste vliegenvangers waren aangekomen. Ik zou in willekeurige lege kasten ook mezenmateriaal stoppen, en dan maar zien of de vliegenvangers die kasten ook aantrekkelijker vonden.

Dat was in het jaar 2000 en we hadden een zeer warm voorjaar: 20+ vanaf 25 april. Ik wachtte met spanning op het arriveren van de eerste vliegenvangers en die kwamen pas laat dat jaar. Op 21 april zag ik de eerste vogels, en toen ik mijn experiment op 23 april wilde gaan doen was ik verbijsterd door het vinden van een vliegenvangernest dat al bijna klaar was. Die vogels hadden net viereneenhalf duizend kilometer gevlogen en bouwden twee dagen na aankomst al een nest. Drie dagen later lag het eerste ei erin: dat was dus vijf dagen na aankomst! Dat had ik niet verwacht; in mijn herinnering namen die vliegenvangers veel meer tijd tussen aankomst en eileg, en daar moest ik meer van weten. Gelukkig hadden we op het instituut waar ik toen werkte (het Nederlands Instituut voor Ecologie) een bijzonder goede datadank, en snel wist ik dat er iets met die vliegenvangers aan de hand is: in de afgelopen twintig jaar waren ze steeds eerder gaan leggen! Klimaatsverandering denk je meteen! En dat is m’n onderzoek sinds die tijd gaan bepalen.

Niet dat ik niet meer geinteresseerd ben in mijn oorspronkelijk vraag. Ondanks dat ik wat aan de late kant was (of eigenlijk de eerste vliegenvangers me te snel af waren), heb ik in 2000 wel dat experimentje uitgevoerd en heb de vliegenvangers inderdaad weten te verleiden: ze kozen de kasten waar ik mezenmateriaal had ingelegd ook veel vaker dan lege kasten. Vliegenvangers lijken de aanwezigheid van mezen dus werkelijk te gebruiken als informatiebron voor welke broedplek goed is. Je zou verwachten dat mijn experiment de vliegenvangers moet hebben verleid tot slechtere plekken, en dat ze het hier slechter doen dan op plekken waar ze voor kasten met natuurlijk mezenmateriaal hadden gekozen. Ik moet die analyse nog steeds doen, maar de klimaatsverandering trok."

< meer informatie over Christiaan Both kunt u vinden op zijn personal page Dr. Christiaan Both >

Last modified:April 06, 2006 10:52
Associative links:

Links