Skip to ContentSkip to Navigation
Over onsWerken bij de RUGDaarom werk je bij de RUGTestimonialsJong talent vertelt

Martijn Wieling: computationeel taalkundige

Bij binnenkomst in het kantoor van Martijn Wieling verontschuldigt hij zich voor het feit dat de deur moeilijk dicht kan. De ruimte in zijn kamer wordt voor een groot deel in beslag genomen door een enorme koffer en een bijzonder uitziend apparaat, waar sensoren uit bungelen. Het blijkt een articulograaf te zijn, waarmee hij kan zien wat er gebeurt met de tong en lippen van mensen als ze praten. Kennis die bijvoorbeeld heel behulpzaam kan zijn bij het aanleren van een vreemde taal.

Martijn Wieling, photographer: Gerhard Taatgen

Van accountant naar informaticus

Wielings enthousiasme over articulografie had hij zelf niet kunnen voorspellen. ‘Vanaf 4 vwo wilde ik accountant worden. Daarom ben ik na het vwo een werken-en-leren-traject begonnen waarbij ik tot accountant werd opgeleid. Dat leek heel mooi, maar toch besefte ik na enige tijd dat bijna alles in de accountancy dichtgetimmerd zit met regels, met daardoor weinig ruimte voor eigen inbreng. Nadat ik besloot hiermee te stoppen, heb ik nog even in de tuinbouw gewerkt terwijl ik mij verder oriënteerde. Toen kwam ik de studie Informatica tegen waarin theorie met praktijk wordt gecombineerd. En dat bleek een goede keuze.’ Wieling haalde zijn bachelor Informatica en werd daarna aangenomen voor de toen nieuwe onderzoeksmaster Behavioural and Cognitive Neurosciences die hij naast de master Informatica volgde. ‘Ik wilde heel graag het onderzoek in, maar ik vond het ook heel leuk om naast mijn studie nog andere dingen te doen. Zo heb ik diverse student-assistentschappen gedaan en heb ik ook een jaar in de Universiteitsraad gezeten.’

Examentrainingen

‘Wat ik ook lang en met veel plezier heb gedaan, is het coördineren van examentrainingen. In Leiden heb ik geholpen met het geven van examentrainingen voor scholieren. Zoiets zou Groningen ook moeten hebben, vond ik. Samen met het UOCG (het huidige ESI, Educational Support and Innovation) is het me toen gelukt dit in Groningen op te zetten. We begonnen met 60 leerlingen en het werd zo’n succes dat het er nu jaarlijks 700 zijn. Ik heb dat jarenlang samen met een collega van het UOCG gecoördineerd, en ben er pas in het laatste jaar van mijn promotie mee gestopt.’

Elektronische leeromgevingen en studentenprestaties

Na de research master kreeg Wieling een promotieplek aangeboden bij het UOCG, met professor Adriaan Hofman als promotor. Hij deed onderzoek naar de invloed van het gebruik van elektronische leeromgevingen (zoals Blackboard) op de prestaties van studenten. ‘We hebben laten zien dat studenten baat hebben bij het kunnen bekijken van videocolleges. Bij dit project miste ik echter de meer computationele kant van onderzoek doen.’

Dialectonderzoek

Toen er bij Informatiekunde een promotieplek vrij kwam voor een computationeel onderzoek naar dialecten, was Wieling dan ook meteen geïnteresseerd. ‘Hier kon ik volop methodes ontwikkelen om dialectvariatie kwantitatief te onderzoeken. Je kunt wel in kaart brengen waar het woord “auto” op een bepaalde manier wordt uitgesproken, maar die grenzen zijn woordspecifiek. Door juist te kijken naar een groot aantal verschillende woorden, krijg je een beter beeld van de mogelijke dialectgebieden. Dat is veel objectiever.’ Met zijn proefschrift heeft Wieling twee vakgebieden, dialectologie en sociolinguïstiek, technisch samengebracht. Sociolinguïstiek houdt zich bezig met spraakvariatie gerelateerd aan sociale verschillen, bijvoorbeeld tussen man en vrouw en jong en oud. De dialectologie kijkt juist naar de relatie tussen spraakvariatie en geografie. De door Wieling toegepaste methode maakt het mogelijk tegelijkertijd zowel de invloed van diverse sociale factoren als de invloed van geografie op dialectvariatie te bepalen. ‘ Ik vind het delen van methoden heel belangrijk. Vandaar dat ik ook de details van deze statistische methode via mijn website beschikbaar heb gesteld. Daarnaast komt deze methode aan bod in de korte statistiekcursussen die ik op uitnodiging geef voor taalkundigen aan diverse universiteiten, zoals die in Cambridge, Montréal en Tübingen.’

Sensoren plakken

‘Na mijn promotie wilde ik heel graag onderzoek blijven doen. Met een Rubicon-beurs kon ik onderzoek doen in het Duitse Tübingen. Professor Baayen had daar een articulograaf aangeschaft, waarmee je de tongpositie kunt meten tijdens spraak en zo dialectverschillen kunt vastleggen. We gingen met het apparaat naar verschillende scholen en hebben daar de uitspraak van leerlingen onderzocht. ‘Iedereen moest een flink aantal woorden uitspreken, waarbij het apparaat de beweging van de tong registreerde. Het was nog een hele klus om die sensoren aan te brengen. Je plakt ze namelijk op tong en lippen en dat gaat niet altijd even makkelijk. Sommige kinderen volgden tijdens het experiment bijvoorbeeld onze instructie om te blijven slikken niet altijd op, met als gevolg dat sensoren sneller los lieten door het vele vocht in de mond. Nee, dat plakken is zeker niet het leukste werk,’ zegt Wieling lachend. ‘Maar we hebben veel waardevolle data verzameld. Zo weten we nu al dat de tongpositie in het noorden echt anders is dan in het zuiden, zowel bij de uitspraak van dialect als wanneer men gewoon Nederlands spreekt.’

Hoe spreek je een vreemde taal uit?

Onlangs kreeg Wieling een prestigieuze Veni-subsidie voor een nieuw onderzoek waarbij de articulograaf weer een prominente rol speelt. ‘Met behulp van het apparaat registreren we hoe mensen een tweede taal uitspreken. Hoe spreken Nederlanders bijvoorbeeld Engels uit? We hebben hiervoor Nederlanders, Duitsers en Britten onderzocht. Het apparaat is mobiel en het kan mee op reis. Nou ja, de koffer weegt bijna dertig kilo dus heel eenvoudig is niet, maar het apparaat is al wel in Londen geweest’, vertelt Wieling tevreden. ‘En zo hebben we onder andere gezien dat Britten de tong verder voor in de mond hebben als ze de “th” uitspreken dan de Nederlanders. De volgende stap is nu om te kijken in hoeverre visualisatie van deze tong- en lipbewegingen kan helpen bij het verbeteren van de uitspraak in de vreemde taal. Dit kan dus potentieel bruikbaar zijn in het onderwijs, maar je kunt ook denken aan toepassingen van deze methode bij mensen met spraakproblemen.’

Data openbaar maken

Sinds kort is Wieling lid van De Jonge Akademie, een platform van jonge topwetenschappers. ‘Voor mij betekent dit vooral dat ik mijn fascinatie voor de wetenschap nog meer kan overbrengen. Ik was al af en toe in de media om over mijn onderzoek te vertellen, maar nu kan ik dat op nog meer plekken doen. En mee kunnen praten over wetenschapsbeleid vind ik ontzettend belangrijk. Ik vind bijvoorbeeld dat onderzoeksdata van onderzoek betaald met publieke gelden, openbaar gemaakt moet worden. De maatschappij betaalt mee, dus moet je die informatie ook beschikbaar stellen aan de maatschappij. En daarbij moet het ook duidelijk zijn hoe de onderzoekers tot hun resultaten zijn gekomen. Je moet precies kunnen reproduceren wat iemand heeft gedaan. Openheid daarover vind ik van groot belang.’

Meer informatie

Laatst gewijzigd:18 augustus 2015 11:09
printOok beschikbaar in het: English