Skip to ContentSkip to Navigation
Over onsActueelNieuws en agendaPromoties

Pieces of the puzzle

Empirical studies on the diagnosis Dissociative Identity Disorder
Promotie:Mw. E.M. (Eline) Vissia
Wanneer:02 mei 2016
Aanvang:16:15
Promotors:prof. dr. A. (Andre) Aleman, D.J. Veltman
Waar:Academiegebouw RUG
Faculteit:Medische Wetenschappen / UMCG

Basis voor dissociatieve persoonlijkheidsstoornis ligt in kindertijd

Psychologische vragenlijsten en hersenonderzoek naar hersenactiviteit en hersenstructuren laten zien dat een dissociatieve persoonlijkheidsstoornis (DIS, eerder: meervoudige persoonlijkheidsstoornis) samenhangt met traumatische gebeurtenissen in de jeugd. Mensen met DIS blijken ernstiger trauma's te rapporteren en een kleiner volume van de hippocampus te hebben (een hersengebied dat belangrijk is voor het opslaan van herinneringen) dan mensen met een posttraumatisch stresssyndroom (PTSS) of gezonde controlepersonen. Dat stelde het UMCG-onderzoeksteam vast, dat wordt geleid door Dr. Simone Reinders en waarvan Eline Vissia deel uitmaakte. Deze uitkomsten laten zien dat er een verband bestaat tussen trauma in de kindertijd en DIS.

De psychiatrische aandoening dissociatieve persoonlijkheidsstoornis werd in 1980 opgenomen in de Diagnostic and Statistical Manual, de standaard voor psychiatrische diagnostiek. Vanaf dat moment woedt er een voortdurende discussie tussen aanhangers van het zogenoemde trauma- en fantasiemodel over hoe de stoornis ontstaat en of dit een valide diagnose is. Voorstanders van het traumamodel denken dat de ziekte samenhangt met traumatisering in de vroege kindertijd, door bijvoorbeeld een ernstig verstoorde hechting met de ouders of verzorgers, chronische mishandeling, misbruik en/of verwaarlozing. Voorstanders van het fantasiemodel denken dat de stoornis, bewust of onbewust, wordt nagebootst. Patiënten zouden beïnvloed zijn door psychotherapie of door socioculturele invloeden zoals de media. Tot voor kort was er weinig neurowetenschappelijk bewijs voor de ene of de andere zienswijze. Met technieken die hersenactiviteit kunnen meten en afbeelden, verzamelden Vissia en haar collega’s informatie van mensen met DIS en mensen met PTSS. Ze betrokken ook actrices in hun onderzoek om na te gaan of DIS nagebootst kan worden, zowel in gedrag als in hersenactiviteit.

Vissia concludeert onder andere op basis van het functionele hersenonderzoek dat de patiënten met DIS in een trauma-gerelateerde persoonlijkheidstoestand slechter zijn in het uitvoeren van een werkgeheugentaak dan in een niet-trauma-gerelateerde persoonlijkheidstoestand. Dit verschil was minder duidelijk bij de actrices die DIS nabootsten. De promovenda concludeert verder dat er samenhang is tussen de vorm en het volume van de hippocampus en traumatische gebeurtenissen in de kindertijd. Met andere woorden: de hippocampus van mensen met DIS ziet er anders uit dan die van mensen met PTSS of gezonde controlepersonen. Deze en andere bevindingen uit dit onderzoek kunnen helpen om het ontstaan van DIS beter te begrijpen, en een eerdere diagnose mogelijk te maken hetgeen uiteindelijk het welzijn van de patiënt ten goede komt.

Eline Vissia studeerde psychologie aan de Rijksuniversiteit Groningen en volgde daarna een opleiding tot GZ-psycholoog. Ze verrichtte haar promotieonderzoek bij onderzoeksinstituut BCN van het Universitair Medisch Centrum Groningen. Het onderzoek werd gefinancierd door NWO, het UMCG en BCN. Vissia werkt als GZ-psycholoog bij het Top Referent Trauma Centrum van GGz Centraal.