De strijd om het Witte Huis is in alle hevigheid losgebarsten. Mag George W. Bush zijn spullen voorlopig laten staan, of moet hij plaats maken voor de verhuisdozen van zijn opponent John Kerry? Het is een nek-aan-nekrace, zeggen opiniepeilers. Een race die voornamelijk op televisie wordt uitgevochten en die maar weinig inhoudelijk debat kent, vindt hoogleraar Amerikaanse cultuur en cultuurtheorie Wil Verhoeven: ‘Bij de Amerikaanse verkiezingen heeft het volk niets te kiezen.’
Het moderne Amerika is alleen vanuit het verleden goed te begrijpen, meent Verhoeven. Omdat het bij veel mensen schort aan historisch besef, is dit begrip dus ver te zoeken. ‘Eén van de grootste problemen in de transatlantische verhoudingen is wederzijdse onwetendheid; een fundamenteel misbegrip. En dat beperkt zich niet tot mensen in de straat. Zelfs op regeringsniveau snappen veel mensen er niets van.’
De tweede president van Amerika, John Adams, had een ideaal. Het volk zou ‘enlightened and informed’ zijn. Hij vond dat Amerika niet was ontstaan uit een revolutie, maar uit discussies tussen mensen, die zich voornamelijk afspeelden in de kranten. De kranten zijn gebleven en de cultuur is meer en meer op media gaan draaien. Daarbij is de vorm belangrijker dan de inhoud geworden, de oneliner belangrijker dan het debat. ‘Van Adams ideaal is niet veel meer over. Het gros van de Amerikanen is niet meer verlicht en slecht geïnformeerd.’
Elke president heeft zijn eigen tactieken om het volk te ‘bespelen’. Reagan deed het voortreffelijk. Hij had als acteur al een natuurlijke band met de camera en wist die tijdens de verkiezingen uit te buiten. Carter was juist een verschrikking met zijn verhandelingen inclusief langdradige conclusies en voetnoten. De heren Bush en Kerry gaat het beide goed af. Bush heeft het grootste charisma, maar John ‘the comeback’ Kerry heeft het meest geprofiteerd van de in Amerika zo ongelooflijk belangrijke televisiedebatten: ‘De eerste won Kerry met afstand. Daarna is het gelijkspel gebleven, omdat geen van beide heren onderuit wilde gaan.’
De term televisiedebat suggereert een inhoudelijke discussie over het wel en wee van Amerika en haar rol in de wereld. Wie dat verwacht, komt bedrogen uit, vindt Verhoeven: ‘Inhoudelijk wordt het pas als één van de twee in het Witte Huis zit en de verkiezingen voorbij zijn. De belastingverlagingen voor rijke Amerikanen die Bush doorvoerde, zijn bijvoorbeeld keihard inhoudelijk. Maar om president te worden, is hij vooral niet inhoudelijk geweest.’
Op twee belangrijke punten verschillen de Amerikaanse verkiezingen van die in Europa. Ten eerste speelt de televisie een veel belangrijker rol. Amerikanen kijken niet, zoals wij, gericht naar het Achtuurjournaal en Nova, ze leven de hele dag met de televisie. Doe je dat niet, dan kun je net zo goed niet bestaan. Dit heeft grote invloed op het verloop van de verkiezingen. ‘Neem Nederland: als Balkenende spreekt in Appelscha, dan kun je vanuit Amersfoort en Bellingwolde naar hem toe om kritische vragen te stellen. In Amerika kun je, vanwege het immens grote land, de kandidaten vrijwel alleen passief, via de televisie volgen.’
Het tweede punt is de vorm die verkiezingen aannemen in een tweepartijenstelsel. Van nature zijn mensen fity-fifty verdeeld. Bijvoorbeeld op het gebied van abortus, stamcelonderzoek en terrorisme. De één is bang voor een terroristische aanval, de ander niet. Dat is puur instinctief. ‘Wij hebben iets te kiezen als het aankomt op Irak. We kunnen vóór, tégen, vóór onder voorwaarden of nog iets anders zijn. Hiervoor heb je een geïnformeerd debat nodig, waarbij het gaat om beredeneerde keuzes. Maar in Amerika proberen beide kandidaten met zo gevat mogelijke oneliners in te spelen op het instinct en niet op de ratio. Daarmee worden de verkiezingen teruggebracht tot ongeveer tien onderwerpen. De kandidaat met de mooiste kreten over meeste onderwerpen wint; als het maar lekker bekt.’
Wil Verhoeven is sinds 1987 verbonden aan de Rijksuniversiteit Groningen. In zijn onderzoek ligt de nadruk op de achttiende-eeuwse Amerikaanse cultuurgeschiedenis, die via verschillende lijnen in verband gebracht kan worden met het heden. In zijn oratie, september vorig jaar, ging Verhoeven in op de vraag of de aanslagen van 11 september het einde betekenen van het Amerikaanse culturele ideaal.