|
Bij kinderen gaat de ontwikkeling van kennis, zoals bijvoorbeeld taal, met pieken en dalen. En dus niet geleidelijk, zoals psychologen lang dachten. Onderzoekers zagen lange tijd ontwikkelingspieken en -dalen aan voor meetfouten en andere ruis. Daarom namen zij de statistische gemiddelden van de ontwikkelingen, wat een langzaam stijgende lijn opleverde.
De meer recente 'dynamische systeemtheorie' gaat er juist van uit dat de grilligheid bij herhaalde metingen juist belangrijke informatie geeft over het ontwikkelingsproces, net als verschillingen in metingen per individueel kind.
Om deze theorie statistisch te ondersteunen onderzocht ontwikkelingspsychologe dr. Marijn van Dijk een jaar lang een keer per week de taalontwikkelingen van vier peuters, waaronder haar eigen kind.
Ze telde bijvoorbeeld het aantal woorden in iedere zin en keek hoe de peuters voorzetsels als 'uit' of 'boven' gebruikten. Ze concludeert dat peuters het spreken de ene dag een stuk makkelijker afgaat dan de andere dag. Met andere woorden: taal van kinderen maakt bokkesprongen.
Van Dijk: "Je kunt taalontwikkeling nog het best vergelijken met leren fietsen. Als je op een zonnige dag prima kunt rijden, betekent dat nog niet dat je dat ook kan met harde tegenwind. Maar als iemand van zijn fiets valt tijdens een storm, kun je niet concluderen dat hij het fietsen zelf nog niet onder de knie heeft."
Het onderzoek naar kindertaal was echter niet het eigenlijke doel van Marijn Van Dijks onderzoek. De kindertaal was vooral een vehikel om te komen tot een statistische methode die veel meer dan vroeger rekening houdt met de grilligheid van onderzoeksresultaten in de ontwikkelingspsychologie.
|