Opvallend is wel dat Kapitsa deze woorden pas in 1969 schreef en constateert dat die vrijheid in de wetenschap toen voor altijd verdwenen is. De Tweede Wereldoorlog was toen allang achter de rug. Na 11 jaar gewerkt te hebben in het befaamde Cavendish Laboratory was hij teruggegaan naar zijn vaderland, de Sovjet Unie. Hij was daar een gevierd wetenschapper, maar meteen na de TweedeWereldoorlogwederom in een kamp. Een kamp dat niet vrij over wetenschap communiceerde met het andere kamp, het westen.
Vrije communicatie
Waarom is die vrije communicatie voor wetenschappers zo belangrijk? Zozeer zelfs dat het plezier in hun werk er voor mensen als Kapitsa van af hangt? Veel mensen denken nog wel eens dat wetenschap gedaan wordt door een onderzoeker in een laboratorium, of in zijn of haar werkkamer. Dat die onderzoeker ineens een grote ontdekking doet. OK, dat die onderzoeker dat niet van de ene dag op de andere dag doet, maar er meestal eerst vele jaren hard voor gewerkt heeft, wil er ook nog wel in...
Maar dan: Eureka! De wereld hoort van de grote ontdekking, de onderzoeker wordt beroemd en krijgt misschien wel een Nobelprijs.
Zo gaat het in films misschien wel eens, maar de werkelijkheid is anders. Wetenschap is geen werk van individuen. Echte wetenschappelijke vooruitgang wordt bereikt door samenwerking tussen onderzoekers. Onderzoekers uit verschillende landen en vaak zelfs uit verschillende disciplines. Samen werken ze aan nieuwe theorieën, bouwen voort op resultaten van anderen.
Deze beschouwing van wetenschap als een collectief proces werd misschien het best verwoord door de Britse natuurkundige John Michael Ziman:
"Although the best and most famous scientific discoveries seem to open whole new windows of the mind, a typical scientific paper has never pretended to be more than another little piece in a larger jigsaw – not significant in itself, but as an element in a grander scheme. This technique, of soliciting many modest contributions to the vast store of human knowledge, has been the secret of Western science since the seventeenth century, for it achieves a corporate, collective power that is far greater than any individual can exert. Primary scientific papers are not meant to be final statements of indisputable truths; each is merely a tiny tentative step forward, through the jungle of ignorance.”
Dit citaat, evenals het eerdere van Kapitsa, is uit 1969. We zijn nu 40 jaar verder. De muur is gevallen en de koude oorlog voorbij. De politieke belemmeringen voor vrije wetenschappelijke communicatie dus ook. En toch… hebben veel wetenschappers niet vrij toegang tot alle wetenschappelijke resultaten en publicaties van hun collega’s.
Van handschrift tot web
Wetenschappelijke communicatie heeft een lange geschiedenis doorgemaakt. Voor de boekdrukkunst werd uitgevonden waren wetenschappers beperkt tot gebruik van handgeschreven boeken, brieven en mondelinge overbrenging. Tot in de negentiende eeuw zelfs bleven onderzoekers hun resultaten via brieven aankondigen in de wetenschappelijke genootschappen, waar ze werden voorgelezen voor de aldaar verzamelde geleerden in vergaderingen. Uit dit soort rapportages zijn eind 17e eeuw de eerste wetenschappelijke tijdschriften voorgekomen. Daarna beperkte de vernieuwing zich eeuwenlang tot vooral betere druktechnieken, met uiteindelijk zelfs glossy uitziende tijdschriften met kleurenplaatjes. De laatste decennia echter hebben de ontwikkelingen op het gebied van informatietechnologie gezorgd voor een revolutie op het gebied van publiceren. Een onderzoeker hier in Groningen kan zijn resultaten nu op ‘het web’ zetten en vrijwel op hetzelfde moment kan een onderzoeker in Australië ze lezen. Zoeken in omslachtige indexen van bibliografieën is ook overbodig geworden: met de juiste trefwoorden kunnen publicaties over een specifiek onderwerp gevonden worden in databases die miljoenen tijdschriftartikelen bevatten. De techniek vormt dus geen belemmering meer voor een volledige vrije wetenschappelijke communicatie. En toch… hebben veel wetenschappers niet vrij toegang tot alle wetenschappelijke resultaten en publicaties van hun collega’s.
Wat is dan het probleem? In feite de wetenschap zelf. Haar eigen succes is een belemmering geworden. De laatste halve eeuw is de wetenschap zo enorm gegroeid dat het historisch geëvolueerde systeem van wetenschappelijke communicatie niet meer voldoet. Met de groeiende aantallen studenten, promovendi en onderzoekers groeide ook het aantal wetenschappelijke publicaties. Dat werden er veel te veel voor de traditionele tijdschriften die elk vakgebied kende.
Ook de wetenschap zelf diversifieerde, er ontstonden steeds meer en specialistischer disciplines. En elke zichzelf respecterende wetenschappelijke discipline heeft natuurlijk zijn eigen tijdschriften. Kon een universiteit enkele decennia geleden haar onderzoekers nog tevreden houden met enkele duizenden tijdschriften, nu heeft een algemene universiteit als de RUG vele tienduizenden tijdschriften in licentie. En dan nog ontbreken er veel tijdschriften die volgens onderzoekers eigenlijk onmisbaar zijn. En dan komen er ook nog wekelijks weer nieuwe tijdschriften op de markt. Voor de RUG is het al jaren onmogelijk om al die tijdschriften te blijven betalen. En dan is de RUG nog een succesvolle universiteit in een rijk land. Men kan zich voorstellen hoeveel informatie een onderzoeker in Boekarest of Karachi zal moeten missen.
Als we het systeem niet veranderen, zullen steeds meer onderzoekers een steeds groter deel van de wetenschappelijke informatie op hun vakgebied moeten missen. En dat zal uiteindelijk funest zijn voor de wetenschap.
Open Access
In bibliotheekland roept men al jaren Open Access. Onder de wetenschappers hoort men dat helaas veel minder. Nog steeds komt het voor dat hen uitgelegd moet worden wat dat dan wel is. Daarvoor is ook deze “Open Accessweek” bedoeld.
Open Access betekent niet meer dan vrije toegang. Tot wetenschappelijke publicaties welteverstaan. Omdat dit essentieel is voor de vooruitgang van wetenschap. Hoe we tot die vrije toegang moeten komen is minder duidelijk. Men kan lang discussiëren of de prijzen die uitgevers nu voor hun tijdschriften rekenen reëel zijn. Zeker is dat er aanzienlijke kosten gemaakt moeten worden om die tijdschriften in stand te houden. Het afschaffen van de bonussen van directieleden van uitgevers zal echt niet tot substantieel lagere kosten leiden. Wie moet de kosten van het in stand houden van tijdschriften dan betalen? Als ze voor iedereen vrij toegankelijk zijn? In het meest vergaande model betalen de onderzoekers voor elke publicatie een bepaald bedrag en is de toegang tot het tijdschrift voor iedereen vrij. Daarmee wordt het systeem van wetenschappelijk publiceren niet goedkoper, maar de kosten worden verlegd van de bibliotheken naar de onderzoeksprojecten. Het publiceren van de onderzoeksresultaten wordt dan een standaard kostenpost, net als salaris, apparatuur of chemicaliën. Een topuniversiteit, die dus veel publiceert, zal met dat systeem zeker niet goedkoper uit zijn. Maar de onderzoeksresultaten van alle onderzoekers zijn dan wèl voor iedereen toegankelijk en dat is waar het uiteindelijk om gaat. De feiten laten zien dat deze weg steeds meer bewandeld wordt. De Open Accesstijdschriften, er zijn er inmiddels honderden, hebben als nieuwe tijdschriften onderaan de ladder van wetenschappelijk aanzien moeten beginnen. Maar in relatief korte tijd zijn er een aantal die hoge impact factoren hebben verworven en zijn doorgedrongen tot de top in hun vakgebied, vooral binnen de levenswetenschappen.